Veelvormig vieren

Gebruiksaanwijzing

Dit werkboek is bedoeld voor voorbereiders en voorgangers in de liturgie, voor beleidsmakers in parochies en dekenaten, maar ook voor ieder die geïnteresseerd is in liturgie. Het gaat uit van de rijkdom aan liturgische vormen in onze traditie en biedt nieuwe vormen van liturgie.

In de inleiding bespreken we enkele uitgangspunten:
• de (houding van) verwondering over het leven die leidt tot dankzeggen en vieren,
• de kleine of grotere gemeenschap waarin we vieren,
• de tijd, ruimte en deelnemers als bepalende elementen bij het vieren.

1.In het eerste hoofdstuk behandelen we de basisvormen van liturgie, waarbij we de eucharistie buiten beschouwing laten: gebedsviering, woordviering, meditatieviering en communieviering. We leiden de vieringen in, bespreken de orde van dienst en verwijzen naar literatuur en materiaal.

2.In het tweede hoofdstuk reiken we concrete oude en nieuwe vormen van liturgie aan die vandaag de dag in Nederland gevierd worden. Bij iedere viering kijken we welke basisvorm van liturgie er aan ten grondslag ligt en verwijzen we naar literatuur, materiaal en (internet)adressen.

3.In het derde hoofdstuk geven we praktische achtergrondinformatie bij diverse liturgische elementen: wat is een symbool, wat is de functie van de openingsdienst, hoe verhouden zending en zegen zich tot elkaar, wat doet de bijbel in de liturgie, wat is het belang van stilte in de liturgie et cetera.

Tussendoor zijn korte oefeningen gestrooid om aan den lijve te ervaren wat liturgie is. Ze nodigen uit ze te doen, alleen of met elkaar.

We hopen dat deze combinatie van basisvormen, van voorbeelden van oude en nieuwe liturgie en praktisch liturgische informatie dienstbaar is om te komen tot inspirerende liturgie naast de zondagse eucharistie.

Inleiding
In deze praktische handreiking voor liturgie beginnen we niet bij de eucharistie op zondagmorgen in de kerk; we beginnen aan de andere kant, dicht bij huis, dicht op je huid.

Verwondering
Een klein kind kan eindeloos met zijn voetje spelen, kan kraaien van het lachen; er is nog niets vanzelfsprekends aan het voetje dat leeft en beweegt.
Een clown leert maar niet, dat wanneer er een plank op een stammetje ligt en je loopt daarop, hij kiepert en valt. En wij lachen van plezier, om de clown, om ons zelf?
Clown en kind laten ons zien wat verwondering is, zij halen het vanzelfsprekende weg. En op sommige momenten, in opperste verbazing, bij een overstelpend verdriet of een groot geluk, of juist een klein stil moment, zijn wij zulke mensen. Mensen die wat hen overkomt of wat hen omringt bijzonder vinden, een wonder vinden en niet vanzelfsprekend.

We ontvangen ons leven, het is een gave, soms een opgave en ten diepste hebben we het niet in eigen hand. In onze huidige maatschappij waarin zoveel maakbaar is, verzet je je natuurlijk tegen zo’n uitspraak. We kunnen ons leven wél plannen! Als je wil dan kom je er wel! Positief denken! Maar hoe harder we roepen dat we het leven in eigen hand hebben, hoe meer we onszelf overschreeuwen. De meesten van ons ervaren dat in de loop van hun leven: de liefde die gezocht/ongezocht op je pad komt, de wonde die je oploopt, de toevallige ontmoeting die je goed doet.
Soms moet je op stap om je te realiseren dat je je leven niet in eigen hand hebt. Wanneer je op tocht bent en honger krijgt of de weg kwijt raakt of water zoekt of… en je vraagt iemands hulp dan ben je afhankelijk en ontvankelijk. Want dat is de andere kant van afhankelijk: kunnen ontvangen, leven met open handen. Je doet de kostbare ervaring op dat je een mens ontmoet die zorg voor je draagt en waarop je ‘dank je wel’ kunt zeggen.

Dankzeggen
In ons leven zijn er eindeloos veel momenten om te ontvangen en te danken, alleen al tijdens een dag: het wordt morgen en het licht is er weer, het wordt avond en de rust keert terug, er is eten, je komt thuis, je gaat naar school of werk of… .
Zo ook zijn niet alle dagen hetzelfde: er zijn werkdagen en rustdagen, er zijn vakanties en er zijn feestdagen, er zijn verjaardagen en gedenkdagen, steeds opnieuw zetten we even de tijd stil (dan kan natuurlijk niet; we staan zelf even stil) en realiseren we ons dat we de tijd ontvangen hebben.

Het christelijk geloof belijdt dat we ons leven, onze levenstijd, ontvangen van God. Stilstaan bij het gegeven moment en het afzonderen en danken/heiligen/zegenen en voor God brengen is liturgie. Deze vorm van liturgie zijn we hier in het westen de laatste halve eeuw kwijtgeraakt. Door het jodendom en via het Keltische christendom worden we herinnerd aan deze vormen van dankend omgaan met tijd en ruimte. Ouderen hebben herinneringen aan de gebeden voor het slapen gaan, aan het wijwater met het palmtakje bij onweer en bliksem, een reisgebed, de gebeden bij de oogst, velen kennen nog het kruisje op het voorhoofd voor het slapen gaan. Anderen zijn zich beschaamd gaan voelen wanneer ze een schietgebedje mompelden bij heel concrete ervaringen, zoals het kalven van een koe, of als ze het slagen van een examen door het opsteken van een kaarsje verbonden met de Eeuwige.
‘Toch heeft Hij zich niet geschaamd onze God te zijn.’(Hebr. 11,16) Sterker nog: in ons christelijke belijden spreken we niet alleen uit dat God de oorsprong van de schepping is, maar ook dat God mens is geworden. De Eeuwige, de Alomtegenwoordige, was niet vies van plaats en tijd (deze concrete plaats en dus geen andere, op dit moment van de geschiedenis en dus geen ander). We kennen de bijbelse belofte en soms de eigen ervaring, dat God ons nabij is, kracht geeft en inzicht schenkt. In het evangelie zelf gaat Jezus ons steeds opnieuw voor in gebed en vraagt hij ons te blijven bidden. Dat wil zeggen dat we God steeds opnieuw hier en nu mogen aanspreken.
Kortom: ons concrete leven, begrensd in tijd en ruimte, is al verbonden met de Eeuwige, we hoeven alleen maar te bedanken.

Er waren en zijn veel rituelen, van die korte momenten, waarin je de vanzelfsprekendheid van wat je ontvangt doorbreekt. Het bidden vóór en na het eten (en soms wordt dat ritueel weer een vanzelfsprekendheid waartegen geprotesteerd wordt), het begin van de dag, het avondgebed. Het aansteken van je doopkaars bij je verjaardag of je naamdag, van de trouwkaars bij je huwelijksdag, het bidden van een psalm om je vriendschap te vieren of…Ook dit kun je liturgie noemen. Huisliturgie heet het soms; ‘Geloven vieren thuis’ heet een boekje met suggesties en gebeden daarvoor. En met thuis bedoelen we dan degenen met wie je woont en leeft of de kleine groep met wie je bij elkaar komt. In de rooms-katholieke kerk is er een officieel boek voor, het boek van de zegeningen, het ‘benedictionale’.
Als we spreken over liturgie kun je dus heel dicht bij huis beginnen bij het kruisje voor het slapen gaan. We zegenen God (of vragen Gods zegen) over onze verbondenheid (die van de mensen onderling en van God).

Literatuur
Zegeningen uit het Romeins rituaal, een studie-uitgave, Pastoraal-liturgische handreikingen, Nationale Raad voor Liturgie, Utrecht 1986
Wees gezegend, Over de zegeningen in de joodse en de christelijke traditie, redactie: Johan te Velde, Liturgiekatechese, Gooi & Sticht, Baarn 1996
Gezegend ben je, Marianne Boselie, Stichting Midden onder u, Maastricht 1999
Rituelen delen, een verzameling ideeën om geloven vorm te geven, Louis Bakker, Loek Boer, Alma Lanser, Kok, Kampen 1994
Geloven vieren thuis, Protestantse Kerk in Nederland/SGO Uitgeverij 2005
Ruth Burgess, A Book of Blessings and how to write your own, Wild Goose Publications, Glasgow 2002

Het parochiële leven / het gemeenteleven
Veel parochianen komen met enige regelmaat bij elkaar. Ze vieren de zondag of de feestdagen, ze vieren de hoogte- en dieptepunten van hun leven. Er zijn ook parochianen die in de parochie bepaalde taken op zich hebben genomen: bezoekwerk, een diaconale groep, de eerste communievoorbereiding en vele andere groepen. Vaak zijn er binnen een parochie ook bezinningsgroepen of bijeenkomsten die op geloofsverdieping gericht zijn.
Hoe maak je duidelijk in wiens Naam je samenkomt, op welke wijze geef je gestalte aan het geloof dat we werken aan het koninkrijk Gods en hoe vier je, dat dat rijk soms even oplicht? Hoe onderscheid je je van partijpolitieke bijeenkomsten, of van die van de hobbyclub of in het buurthuis?
De laatste jaren openen we vaak een samenkomst met een geloofsgesprek en of een gebed, een verhaal of een lied. Voor een geloofsgesprek kun je de schriftlezing van de dag nemen (zie www.katholieknederland.nl via Rkkerk.nl, naar liturgie en op kalender de gewenste datum aanklikken), deze voorlezen en er bij stilstaan wat ieder in deze schriftlezing hoort. Voorwaarde voor een vruchtbare uitwisseling is dat je begint vanuit stilte en een houding van aandacht, en dat de tafel al niet bezaaid is met allerlei papier. Ter afronding van het geloofsgesprek wordt de schriftlezing nog een keer gelezen. Spelregels zijn dat er rust en aandacht is, dat er geen discussie ontstaat, maar er een uitwisseling plaatsvindt.
Een andere wijze van het openen van een bijeenkomst is een lied zingen, of een gebed bidden, een kaars aansteken en een psalm te bidden. Ook kun je eindigen met een dankgebed of een lied.

Nu het avond is, voorzang en allen, Iona community

Nu het avond is, nu het avond is. Waak, Gij schepper, als wij slapen.
In de duisternis, in de duisternis. Waak, Gij schepper, als wij slapen.
U behoren wij, U behoren wij. Waak, Gij schepper, als wij slapen.
Die ons hebt behoed, die ons hebt behoed. Waak, Gij schepper, als wij slapen.
Zie toch naar ons om, zie toch naar ons om. Waak, Gij schepper, als wij slapen.
Gij die liefde zijt, Gij die liefde zijt. Waak, Gij schepper, als wij slapen.
Zegen ons vannacht, zegen ons vannacht. Waak, Gij schepper, als wij slapen.

Op het einde van de dag, tot besluit van een bijeenkomst

Zegen ons met uw stilte,
dat de drukte in ons zwijgt;
geef ons vrede met wat onaf is,
en plezier in wat geklaard is;
bewaar het licht in de nacht
dat wij ons toevertrouwen aan de slaap,
als U over ons waakt.

Literatuur
Directorium, Kalender voor het liturgisch jaar, Nationale Raad voor Liturgie,
verschijnt ieder jaar, NRL Utrecht 030 2326909 bestel@rkk.nl
Kom en zie, werkboek geloofsgesprek in groepen, Nico Derksen, Kok Kampen, 2003
Een huis vol verhalen, Verhalen en getuigenissen voor bezinning en gesprek, René Hornikx, Kok Kampen, 2003

God heeft het eerste woord.
Hij heeft in de beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.

God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.

God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.

God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.

Liedboek voor de Kerken gezang 1 /Gezangen voor Liturgie 446

Liturgie vieren
In de liturgie antwoorden we op Gods woord. God, de Eeuwige, de Alomtegenwoordige, nodigt ons uit in deze tijd op deze plaats samen te komen en antwoord te worden op zijn woord. Onze liturgie vindt dus altijd in een concrete tijd plaats. Onze liturgie ontstijgt niet aan plaats en tijd ook al proeven we soms van de eeuwigheid in een lied of in de stilte.
Het is goed stil te staan bij die concrete tijd of plaats ter voorbereiding van de viering en deze concrete tijd en plaats mee te laten klinken in de liturgie.

De tijd
• Het deel van de dag speelt een rol: morgen, middag, avond of nacht. In de morgen ligt de voor de meeste mensen de dag voor hen, in de avond wordt de dag afgesloten en de nacht voorbereid. De nacht is voor veel mensen sterk individueel en een tijd van rust en herstel.

Oefening om de dag te beginnen
Ga rechtop zitten, word stil en spreek de woorden uit psalm 5, 4:
‘In de morgen, Levende, hoort U mijn stem,
in de morgen wend ik me tot U en wacht.’
Doe dat enkele malen tot de woorden vanzelf komen, word weer stil en sluit af.

• De tijd van de week doet er toe: vindt de viering door de week plaats of op de zondag, begin of einde van de week. Wie realiseert zich nog dat de zondag de eerste dag is, het begin van de week en niet het end? We kunnen de zondag als een scharnierpunt zien: we danken voor de afgelopen week en putten inspiratie voor de komende week.
• Het is zinvol om stil te staan bij het seizoen waarin je viert (lente, zomer, herfst, winter hebben hun eigen kleur en karakter) of bij de tijd van het liturgisch jaar (die overigens op het noordelijk halfrond mede door de seizoenen wordt bepaald: advent, kersttijd, veertigdagentijd of paastijd.
• Het kerkelijk jaar en het burgerlijk jaar reiken ons heiligendagen, gedenkdagen en feestdagen aan die mee kunnen klinken in de vieringen.
• Tenslotte komen we altijd vierend samen in de actualiteit. Of je er expliciet aandacht aan besteedt of niet, de grote wereld en de nabije omgeving bepalen ons leven hier en nu en beïnvloeden ons verstaan van verhalen en symbolen.

De ruimte
• We vieren altijd in een bepaalde ruimte: een kathedraal werkt anders op de aanwezigen dan een aula van een school, een huis is een andere vierplek dan een kapel en de buitenlucht heeft een andere invloed op de deelnemers dan een feestzaal. Ook hier geldt: sta eens stil bij wat de ruimte met je doet, wat de ruimte mogelijk en onmogelijk maakt wat betreft geluid, beweging, inrichting of (liturgische) voorwerpen.

Oefening Ga zitten op een plek in de ruimte waar je vierend bijeen zult komen, leg je handen open in je schoot, voel je lichaam in deze concrete ruimte en ga na wat de ruimte met je doet. (Een ruimte kan je benauwen of ontvangen, een ruimte kan je beangstigen of rust geven, een ruimte kan je klein maken of…) Overweeg daarna psalm 24,1: ‘Van God is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen.’
Herhaal de woorden enige malen en wordt stil.
Probeer tenslotte opnieuw te ontdekken wat de ruimte met je doet.

De deelnemers, de mensen die samenkomen om te vieren
• De eerste is God, de Levende die ons samenbrengt. Daarnaast kunnen er heel verschillende mensen bij elkaar komen: oud of jong, gezinnen, ouderen, een vereniging of een club, een school. We hopen dat op de zondagmorgen in de viering heel de diversiteit van de parochie aanwezig is, maar het is zinvol je te realiseren dat op andere momenten er bepaalde groepen samenkomen om te vieren. Als het goed is bepalen die (doel)groepen mede de sfeer en het karakter van de viering.

Literatuur
Louis van Tongeren, Het ritme van de tijd, Liturgiekatechese, Gooi & Sticht 1999 i.b. Over de samenhang tussen tijd en liturgie,
Aarden in geloof, werkboek voor bezinning, gebed, verbeelding en viering, red. Tini Brugge. 4 delen: herfst, winter, lente, zomer, Gottmer 1997-1999

In het volgende hoofdstuk schetsen we de basisvormen van de gebedsdienst, de woorddienst, de meditatieviering en de communieviering.
Een uitvoerige lijst met materiaal voor gebedsdiensten, woorddiensten en communievieringen is te vinden op
http://www.debron-har.be/KL%2034%20woorddiensten.htm

en op http://www.katholieknederland.nl/lit_kalender/

hoofdstuk 1. Diversiteit in vieren, karakter en orde van dienst

1. Bidden als levenswijze, het getijdengebed
Bidden is op de eerste plaats ons antwoord op Gods woord dat ons tot leven roept, richting wijst en behoedt. Bidden is niet iets dat je af en toe kunt doen omdat het goed voor je is. Nee, bidden is noodzakelijk om je relatie met de Eeuwige te onderhouden. Bidden doe je ook om deel te hebben aan de stroom van mensen die al eeuwen bidden, het zet je in een groter verband, het haalt je uit je kleine ik, je richt je tot God. Bidden doe je met je aandacht, met je lichaam en met woorden, niet om iets mee te delen, maar om aan iets/iemand deel te hebben.

Vanouds kent de christelijke liturgie gebedsgetijden. Met name op de momenten van licht naar donker en donker naar licht wordt – letterlijk, dag uit dag in– de tijd toegewijd aan de Eeuwige met psalmen en lofzangen. In het bidden van de getijden sluit je je aan bij een stroom bidders door de tijd heen en over heel de wereld; deze verbondenheid in tijd en plaats vraagt voortdurend engagement en toewijding.
Kenmerkend voor de getijden – en daarmee voor het getijdengebed – zijn de cyclische regelmaat, de herkenbaarheid en de consistentie van de vieringen. Hierdoor kunnen de deelnemers verstillen, tot rust komen en adem krijgen, weer op adem komen.
Typerend voor de getijden is dat het eerder gaat om de beweging van ‘zich te binnen brengen, bezinnen en ontvangen’ dan van ‘zich uitdrukken of tot expressie brengen’. Wij brengen niet ons geloof tot uitdrukking, maar wij laten ons ‘omvormen’ door de liturgie. Het gaat niet om onze originaliteit, maar om herbronning door het originele, de oorsprong.
Het getijdengebed is geen ambtelijke vorm van eredienst; het is eerder democratische liturgie dan hiërarchische liturgie (hiërarchie hier gebruikt als een beschrijving van verschillen in posities, b.v. tussen gewijde en niet gewijde mensen, tussen priesters en leken). De getijdenvieringen kennen doorgaans geen preek (in de lezingendienst kunnen fragmenten uit teksten van de kerkvaders en -moeders gelezen worden.) De liturgische functies zijn tot drie beperkt: cantor, lector en bidder.
De psalmen vormen vanouds de ruggengraat van de getijden. Het zijn de liederen van het volk Israël, waarin zij in vreugde en verdriet, in vrijheid en verdrukking hun verbondenheid met de Ene bezingen, het zijn de liederen waarmee Jezus leefde en die hij bad met zijn leerlingen. Wanneer wij deze psalmen meebidden gaan we in deze geschiedenis staan, vormen deze liederen ook ons.

In de oefeningen die we in dit boekje aanreiken verwijzen we af en toe naar een psalmvers om vertrouwd te raken met woorden die hun kracht en troost door de eeuwen hebben bewezen. ‘Woorden van de Ene, zuiver als zilver, gelouterd tot zevenmaal toe.’ psalm 12,7. Door de psalmen steeds weer te bidden, te zingen en te overwegen gaan ze tot je lijf (lichaam en leven) behoren en ga je je eigen ervaringen verstaan in het licht van de psalmen.

De antifoon (het gezamenlijk gezongen refrein dat de psalm omlijst) reikt de bril aan waardoor we de psalm op dat moment bidden/mediteren. Deze bril kan variëren, afhankelijk van het accent dat bij lezing of meditatie extra belicht wordt. Lauden (het begin van de dag), vesper (bij het vallen van de avond) en completen (bij het beëindigen van de dag, als mensen gaan slapen) hebben ieder hun vaste bijbelse kantiek (kantieken zijn lofzangen die zoals de psalmen in de bijbel staan), respectievelijk de lofzang van Zacharias (Benedictus –Lucas 1, 68-79 ), van Maria (Magnificat – Lucas 1, 46-55) en van Simeon (Nunc dimittis – Lucas 2, 29-32)). De hymne, de gebeden en de lezingen zijn wisselende elementen in het getijdengebed, ze worden mee bepaald door het moment binnen het liturgisch jaar.
In de stilte van het getijdengebed gaan de steeds terugkerende psalmen en lofzangen een (heilzaam) verband aan met de ervaren actualiteit.

Nog altijd heersen er rond het getijdengebed met de psalmen enkele hardnekkig vooroordelen: het getijdengebed zou typisch iets zijn voor kloosters en priesters, de psalmen zouden vooral door protestanten gebeden/gezongen worden en de psalmen zijn vaak negatief, klagerig en zelfs gewelddadig. Om het eerste misverstand op te ruimen: sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1960) is het getijdengebed van heel het volk Gods en worden wij allen uitgenodigd daaraan deel te nemen. En wat de psalmen en de protestanten betreft: de rooms-katholieken bidden ook al vele eeuwen de psalmen, maar deden (en doen) dat vaak in het Latijn. Vandaar dat het kerkvolk deze gregoriaanse zang niet herkende als de psalmen. Het derde punt betreft de negatieve ervaringen die door klinken in de psalmen. In de 150 psalmen klinken ál onze levenservaringen: vreugde en angst, behoefte aan wraak, verlangen naar geborgenheid, ervaring van verbondenheid, neiging tot geweld. Al onze ervaringen worden serieus genomen en verbonden met God. God heeft niet alleen van doen met onze mooie kanten of met onze kleinheid en afhankelijkheid, er is ook plaats voor onze lelijke kanten. Het boek van de psalmen kan een gebedsboek worden om God te loven en te genieten van het goede van ons leven én om gelovig en volwassen om te leren gaan met onze donkere kanten.

Lauden en vesper; inhoud en traditie
De lauden (morgengebed) en vesper (avondgebed) zijn gegrond op patronen in de natuur (de wisseling resp. van nacht naar dag en van dag naar nacht) en het joodse morgen- en avondgebed. In de gebeden van de lauden klinkt de dank voor de verrezen Christus (de opgaande zon is symbool van het licht van de verrijzenis) en de toewijding van de komende dag aan God, in de gebeden van de vespers klinkt de dank voor de voorbije dag en het vertrouwen in beschermende licht van Christus in de duisternis. Vandaar dat er een lichtritus is en de hymne ‘Vriendelijk licht’ wordt gezongen.
Veelal associëren we het getijdengebed met het klooster, maar in de loop van de geschiedenis hebben altijd ook niet-kloosterlingen het getijdengebed (mee)gebeden. In de Algemene inleiding op het getijdengebed worden niet op de eerste plaats kloosterlingen genoemd: Het openbaar en gemeenschappelijk gebed van het Godsvolk wordt terecht tot de voornaamste taken van de kerk gerekend (algemene inleiding 1). Het gaat om het doorgaande bidden van heel het Godsvolk!
‘Jezus vertelde de leerlingen een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en nooit op te geven.’ Lucas 18,1

De orde van dienst van lauden en vespers
• ‘God kom mij te hulp…’, doxologie ‘Eer aan de Vader …’ en buiten de veertigdagentijd het ‘Alleluia’.
• (in het avondgebed eventueel de lichtritus)
• hymne
• psalmen + bijbelse kantiek
• korte of langere lezing
• responsorium: stilte, korte overweging of beurtzang als antwoord
• lofzang: Benedictus (mo) Magnificat (av)
• voorbede, onzevader, slotgebed
• zegen(bede)
• eventueel de aanroeping van de Moeder Gods, Maria.

Op verschillende plaatsen waar avond- en morgengebed gebeden worden komen er nog elementen bij. Dat hangt af van de plaatselijke gewoonte, van de ruimte waarin gevierd wordt (een kathedraal vraagt om een andere liturgie dan een huiskamer), van de tijd die men aan het gebed besteedt.
Wanneer je het directorium, de kalender voor het liturgische jaar, erbij pakt zie je dat bij iedere dag van het jaar onder get (getijdengebed) de psalmen voor de morgen (mo) en de avond (av) staan aangegeven en onder S staat de Schriftlezing die in zijn geheel of voor een deel gelezen kan worden. In ditzelfde directorium wordt duidelijk dat de nummers van de psalmen boven de 150 verwijzen naar lofzangen uit de bijbel.
In de Gezangen voor Liturgie zijn de nummers 351 – 354 geschikt als openingsvers; in het register op het liturgisch jaar en op liturgische thema’s kan men bij morgengebed en avondgebed passende hymnen vinden.
De kantieken en lofzangen staan na de psalmen: nummer 151 – 164.
De voorbede kan kort geïmproviseerd worden, zo ook slotgebed en zegenbede.

De lezingendienst
De lezingendienst is vanouds een onderdeel van het getijdengebed. De lezingendienst kan op ieder moment van de dag gevierd worden. In de kloosters vierde men de lezingendienst in de nacht/vroeg in de morgen. Evenals bij het morgen- en avondgebed worden ons de structuur (de orde van dienst) en de inhoud aangereikt. In de lezingendienst gaan we biddend en mediterend met de Schrift om. We geloven dat in de Schrift God tot ons spreekt, ons leven verlicht en richting geeft, en antwoorden in gebed. In het getijdenboek en in het directorium en op http://www.katholieknederland.nl/lit_kalender/ kun je opzoeken wat de lezing van de dag is.

De orde van dienst van de lezingendienst
• ‘God kom mij te hulp…’, doxologie ‘Eer aan de Vader …’ en buiten de veertigdagentijd het ‘Alleluia’.
• hymne
• drie psalmen of psalmgedeelten (=psalmodie)
• (vers)
• langere (doorlopende) schriftlezing
• responsorium: stilte, korte overweging of beurtzang als antwoord
• niet-bijbelse lezing
• responsorium: stilte, korte overweging of beurtzang als antwoord
• afsluitend gebed
• slotacclamatie ‘Loven wij de Heer, wij danken God.’

De lezingendienst heeft zijn weg naar de parochie nog niet gevonden. Een kenmerk van het getijdengebed – en dus ook van de lezingendienst – is dat er geen gewijd voorganger bij nodig is. Het is het gebed van het volk en de functies van de lector (de voorganger in de schriftlezing) en van de cantor (de voorganger in de zang) zijn met name van belang.
Omdat structuur en lezingen en psalmen ons worden aangereikt, kost een viering als deze nauwelijks voorbereiding en kunnen we ons concentreren op het bidden en luisteren zelf.
De algemene inleiding op het getijdenboek stipt ook aan dat we het getijdengebed niet in de kerk hoeven te bidden, ieder plek kun je geschikt maken.(algemene inleiding 27)Tenslotte reikt het getijdenboek ons niet-bijbelse lezingen aan van met name de Vaders: eerbiedwaardige mannen en een enkele vrouw uit de traditie. Op heiligenfeesten wordt ons een tekst gesuggereerd over de betreffende man of vrouw uit een heiligenleven. We krijgen ook de mogelijkheid om teksten van hedendaagse vrouwen en mannen uit te zoeken en te overwegen. (algemene inleiding166-167)

Literatuur
Getijdenboek, gebeden voor elke dag, Nationale Raad voor Liturgie 1990
zie: algemene inleiding; zie: opbouw van de gebedstijden, 661-688
Klein getijdenboek, De liturgie van de uren, Nationale Raad voor Liturgie 2005
Constitutie over de heilige liturgie, sacrosanctum concilium, hoofdstuk 4. in: Constitutie en decreten van het 2e Vaticaans oecumenisch concilie, Katholiek Archief, Amersfoort 1967
Het getijdengebed (het brevier), pag.18-20 in: Directorium, NRL 2007
Dienstboek een proeve, Boekencentrum 1998
zie:Het dagelijks gebed, getijden en huisdiensten
Werkmap liturgie, De lofzang gaande houden. Gooi & Sticht 1996
Het getijdengebed als uitdaging, Ko Joosse, Vrijwilligers in het pastoraat,jrg XVII
Modellen voor woordvieringen, gebedsvieringen, communievieringen, NRL 1999
Hoor onze stem, Liturgische gezangen op teksten van Andries Govaart, Heeswijk 2005 pag. 30-38
Gebedsvieringen, Werkkatern 8, Midden onder u, Maastricht
Balthasar Fischer, U wil ik zoeken dag na dag, Meditaties bij de morgen- en avondpsalmen van het getijdenboek, Averbode/KBS 1991
Stijn van der Linden, De heiligen, Contact 2002 en/of andere heiligenboeken

2. Verkondiging van het Woord
In de woorddienst staat de verkondiging van het Woord Gods centraal. Het woord ‘verkondiging’ kan misverstanden oproepen: ook het voorlezen uit de bijbel in een viering is verkondiging. Het levende woord is ooit opgeschreven (en dat is maar goed ook, want daardoor is het tot ons gekomen), maar wanneer het alleen zwart op wit in een boek staat en individueel (dat wil zeggen niet in een gemeenschap) gelezen wordt komt het niet tot leven. Pas wanneer het geschreven woord door onze adem tot klinken komt wordt Woord Gods verkondigd. Daarom heeft de lector zo’n belangrijke functie.
We belijden dat de Levende op verschillende wijzen aanwezig is in de liturgie: wanneer wij bijeenkomen in zijn Naam (waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn ben ik in hun midden (Matteüs 18,20) en bidden en zingen. Hij is aanwezig in zijn woord, wanneer in de kerk de heilige schrift wordt gelezen. Hij is aanwezig in de eucharistie in zowel de bedienaar (priester) als in de eucharistische gaven. De Levende is aanwezig in de kracht van de sacramenten.

Oefening Hoe breng je de schrift (de bijbel of het lectionarium) binnen in het begin van de woorddienst? Oefen met een stel voorgangers of met de lectorengroep de binnenkomst in de kerk. Doe het eens met lectionarium/bijbel onder de arm, houd het eens voor je op harthoogte, of houd het omhoog. Neem nu ook eens het processiekruis mee en twee brandende kaarsen op de kandelaars. En probeer ook nog als voorgangers al voortgaande verbonden te blijven met elkaar (als één lichaam).
Zing nu eens met elkaar terwijl je voortgaat psalm 19II: ‘Het woord des Heren is volmaakt’.
Voel bij al deze wijzen van binnentrekken wat er met je gebeurt en wissel dat uit.

De woorddienst kennen de meeste rooms-katholieken als onderdeel van de eucharistie; een woorddienst zonder communie lijkt hen protestants. Toch kent de geschiedenis van de christelijke eredienst, inclusief de rooms-katholieke, diverse vormen van een zelfstandige woorddienst.

woordviering/schriftdienst/preekdienst
De preekdienst die ook wel woordviering of schriftdienst wordt genoemd, heeft oude papieren. In de middeleeuwen ontstond er binnen de Latijnse mis een gedeelte in de volkstaal: schuldbelijdenis + vrijspraak, schriftlezing, catechetische prediking, de tien geboden/credo, onzevader en algemeen gebed. Dit gedeelte van de viering ging een zelfstandig leven leiden. Het is in deze vorm vooral bewaard gebleven in de reformatie, maar wordt ook in de rooms-katholieke kerk gepropageerd op de vooravond van de grote feesten en in de advent en de vastentijd. (zie: Constitutie over de heilige liturgie 35, 4. in: Constitutie en decreten van het 2e Vaticaans oecumenisch concilie, Katholiek Archief, Amersfoort 1967)

De orde van dienst van een woord/schrift/preekdienst
Opening
• lied
• begroeting
• bede om ontferming
• gebed
Dienst van het woord
• lezing
• tussenzang/antwoordpsalm
• schriftlezing
• overweging
• (evangelie)lied
Dienst van de gebeden
• voorbede (eventueel met gezongen acclamatie)
• onzevader
Slot
• afsluitend gebed
• zegebede en wegzending
• (lied)

De woord/schrift/preekdienst geeft de parochie/de geloofsgemeenschap de mogelijkheid intens met het Woord Gods om te gaan op een catechetische wijze. In de lezingendienst als onderdeel van het getijdengebed ligt het accent eerder op het biddend en mediterend omgaan met de heilige Schrift, in de preekdienst ligt de nadruk eerder op de inleiding in de schrift, het verstaan van de tekst en de toe-eigening ervan. Natuurlijk spelen gebed en toepassing op het leven van alledag ook een rol.
De voorganger in deze vieringen hoeft niet gewijd of officieel aangesteld te zijn, maar een exegetisch en gelovig verantwoorde schriftuitleg vraagt wel een passende opleiding.

Literatuur
Modellen voor woordvieringen, gebedsvieringen, communievieringen, Pastoraal-liturgische handreikingen, Nationale Raad voor Liturgie, Utrecht 1999
Bidden zonder ophouden, Andere vormen van vieren Pastorale Handreikingen, Utrecht 2005 (met uitvoerige literatuurlijst)

3. Ontvangen en overwegen: meditatieviering
In de meditatieviering ligt de nadruk op de overweging. Natuurlijk wordt er ook gelezen uit Gods woord, natuurlijk antwoorden we ook in gebed, maar het element van ontvangen, overwegen, mediteren, overpeinzen, speelt een belangrijke rol.
Het element van meditatie kan op verschillende manier vorm krijgen: de aanwezigen kunnen na de schriftlezing in stilte de lezing overwegen. Het kan de aanwezigen helpen – zeker in de beginfase – de schriftlezing bij de hand te hebben. Wanneer de aanwezigen geen langere stilte gewend zijn, is dit niet de meest geschikte wijze. Immers om met elkaar in een groep tien of twintig minuten stil te zijn vraagt vertrouwdheid en een veilige omgeving.
Een andere wijze is een zin uit de schriftlezing te herhalen, het stil te laten worden, een enkele minuut later opnieuw een vers te lezen en dat enkele keren te doen.
Een derde manier is een overweging te houden. Degene die dat doet reikt de aanwezigen een paar gedachten aan ter overweging. Dus geen betogende preek, maar eerder een rustig zoekende beweging waarin de Schrift zich kan ontvouwen en waarin de aanwezigen het woord kunnen ontvangen.
Een meditatieviering is uiterst geschikt om een symbool in het midden te zetten. Dat functioneert als een aandachtspunt. Wanneer eerst de Schrift wordt gelezen en we kijken vervolgens naar een met zorg uitgezochte en opgestelde symbolische bloemschikking, een steen, een schaal met water, een tarweschoof, een beeld, een schilderij, dan ontstaat er een verband tussen schrifttekst, het symbool en de aanwezige die het in meditatie beschouwt. Ook hier kan de lector enkele keren een vers uit de schriftlezing opnieuw laten klinken.
Ook kan de meditatie bestaan ook beweging, dans of een gebaar. De mens die beweegt wordt dan zelf het beeld van rust en toewijding.

De voorganger, degene die de viering leidt, voert de aanwezigen ook binnen in de viering. Het is belangrijk dat zij weten wat er te gebeuren staat, dat de orde van dienst helder is. Het is mogelijk dat je begint met een ontspanningsoefening. Omdat de meditatie zelf vaak individueel is, lijkt het verbindend dat er een paar momenten zijn van gezamenlijke zang en/of gezamenlijk gebed. Korte herhaalbare refreinen hebben de voorkeur boven grote gezongen teksten. Vanzelfsprekend straalt ook de ruimte waarin de meditatieviering gehouden wordt rust uit.

Een ademhalingsoefening waarbij ontvangen en loslaten centraal staan.
Ga goed rechtop zitten; op je botjes. Vind je vastheid en kracht in je bekken. Je zwaartepunt in de navelstreek. Daar heb je je wortels. Je komt tot jezelf. Je gezicht niet omlaag gericht, maar ontspannen en recht voor je uit.
• Begin met helemaal uitademen. Laat jezelf los in je schouders.
• Richt je aandacht op het gevoel van de warme lucht die je uitademt en de koude lucht die je neus binnenkomt. Je kunt dit ritme ook ‘inhoud’ geven door ‘uitademen’ en ‘inademen’ te vervangen door ‘gaan’ en ‘komen’.
• Na verloop van tijd verandert het ritme van je ademhaling. Je ademhaling wordt dieper en langzamer, misschien zelfs zo dat je wat slaperig wordt. Op zich is dit een goede ontspanningsoefening.
• Laat je inademen een uitdrukking worden van alles wat je in je leven verlangt
• en laat je uitademen een uitdrukking worden van je totale overgave van jezelf en van heel je leven aan God: al je zorgen, je tekorten, je gevoelens van schuld en spijt.
• Geef ontspannen en aandachtig alle zorgen over jezelf over. Klamp je niet vast aan je zorgen alsof het om iets kostbaars ging. Laat ze los en van je wegvloeien.
• En word aandachtig stil.

psalm 104,30
‘Zend uw adem en zij worden geschapen, zo geeft u de aarde een nieuw gelaat.’
Dit psalmwoord bezingt hoe wij leven en blijven leven door Gods adem.

psalm 150, 6 ‘Alles wat adem heeft, loof de Levende.’
Dit psalmwoord wekt ons op God met onze adem te loven.

Orde van dienst voor meditatiedienst
vooraf: uitleg en ontspanningoefening
• groet
• gebed
• schriftlezing
• meditatie
• zingen
• voorbede
• onze vader
• zegenbede en zending

Literatuur
Werkmap voor liturgie 2, vieringen van woord, meditatie en gebed, Gooi & Sticht 1995
Zonder beelden sprak Hij niet tot hen, nieuwe symbolen en riten in de liturgie, Hein Vrijdag 1,2,3, Gooi & Sticht 1988-1991
Aarden in geloof, werkboek voor bezinning, gebed, verbeelding en viering, red. Tini Brugge. 4 delen: herfst, winter, lente, zomer, Gottmer 1997-1999
Schaduwen van aanwezigheid, Meditaties over symbolen in de liturgie, Heeswijk, Abdij van Berne, 1997

4. Voortgaande viering van de eucharistie: communieviering
In de loop van de laatste veertig jaar hebben de (woord-)communievieringen in onze kerkprovincie een vanzelfsprekende plaats gekregen. De reden dat ze ontstonden was een tekort aan gewijde voorgangers. Aanvankelijk hadden de communievieringen ongeveer dezelfde orde van dienst als een eucharistieviering, werden de vaste gezangen (Kyrie/Heer, ontferm U, gloria/eer aan God, sanctus/heilig, agnus Dei/lam Gods) gezongen en zag de gemiddelde parochiaan het verschil nauwelijks tussen de eucharistie en de communieviering.
De orde van dienst van een communieviering onderscheidt zich de laatste jaren duidelijk van de orde van dienst van een eucharistie. In een eenvoudige ritueel na overweging en voorbede worden de hosties die geconsacreerd zijn in een voorafgaande eucharistieviering uitgedeeld.
De kernhandelingen van de dienst van de tafel in een eucharistie kun je karakteriseren met de woorden uit het instellingsverhaal: Jezus nam (=ontvangen van de gaven door de priester aan het altaar), dankte (=eucharistisch gebed), brak (=het geconsacreerde brood, het lichaam van Christus wordt onder het Lam Gods gebroken) en deelde uit (=communie). In een communieviering vindt alleen de laatste kernhandeling plaats.
Aanbevolen wordt het onzevader te bidden voor het ontvangen van de communie en een dankgebed ter afsluiting van de communie. Op zichzelf hoeft het altaar niet gebruikt te worden. Anders dan in de eucharistie delen we door de collecte in een communieviering niet in het aanbrengen van de gaven (deze gaven zijn er niet in een communieviering, brood is al geconsacreerd). Aanbevolen wordt de collecte te houden na de communie als teken van dankbaarheid. Het is ook te verantwoorden dat we de collecte combineren met de voorbede: de gemeenschap bidt voor kerk en wereld en eigen noden en geeft haar gaven voor een diaconaal doel in de collecte. We schenken onze gebeden én we schenken ons geld. Dan kan de collecte plaats vinden meteen na de voorbede gelijk met het ophalen in een eenvoudige processie van de eucharistische gaven.

Orde van dienst van een communieviering
Openingritus
• openingsgezang
• kruisteken en groet
• inleiding
• schuldbelijdenis /kyrie-litanie
• gebed
Dienst van het woord
• eerste lezing
• antwoordpsalm
• tweede lezing
• alleluiavers
• evangelie
• overweging
• evangelielied
• voorbede (collecte)
Communieritus
• vredewens
• ophalen van de eucharistische gaven
• onzevader
• uitnodiging voor de communie
• uitreiking van de communie
• stilte
• dankgebed
Slotritus
• mededelingen (collecte)
• zegenbede en wegzending
• (slotlied)

Literatuur
De heilige communie en de verering van de eucharistie buiten de mis, Nationale Raad voor Liturgie, Utrecht 1976
Dr J. Mulders S.J., De kernhandelingen van de eucharistie, Pastoraal-liturgische handreikingen, Nationale Raad voor Liturgie, Utrecht 1981
Modellen voor woordvieringen, gebedsvieringen, communievieringen, Pastoraal-liturgische handreikingen, Nationale Raad voor Liturgie, Utrecht 1999
Bidden zonder ophouden, Andere vormen van vieren, Pastorale Handreikingen, Aartsbisdom Utrecht 2005
Vieren, Tijdschrift voor wie werkt aan liturgie, afl. 3, 2005 Brood en beker

hoofdstuk 2. Concrete oudere en nieuwere vormen van liturgie

Terwijl in de zondagsviering de Eeuwige heel de geloofsgemeenschap samenroept met al haar verschillende gezichten, zijn er ook andere vormen van liturgie. Bij de vormen van liturgie die hieronder volgen is het goed ons te realiseren dat het liturgie is voor bepaalde groepen of bepaalde gelegenheden. De beschrijvingen staan overigens soms in de wij-vorm, omdat ze door de deelnemers of voorbereiders zelf worden verteld.
Het hemelsgelag is expliciet gericht op jongeren.
Een cantateviering mikt op mensen die van muziek houden.
Bij een rozenkransgebed denken velen eerst aan de mei en oktobermaand.
en bij een diaconale viering denk ik op de eerste plaats aan advent en vastentijd, en aan de vredesweek. (maar ook Ons Pardon, of een andere aanleiding kan oproepen tot bidden of waken of…)
Soms kun je met je viering aansluiten bij bestaande manifestatie: dat gebeurt op vele plaatsen met carnaval, de vierdaagse, een jazzfestival, bevrijdingsfeesten.
Wanneer je in de parochie begint met andere vormen van liturgie is het raadzaam dat goed voor te bereiden. Dat is des te noodzakelijker, omdat veel mensen bij liturgie in de parochie alleen denken aan eucharistie en woord-communievieringen en geen beelden hebben bij andere vormen van liturgie.
Op de eerste plaats is het belangrijk, dat bestuur en pastores en de liturgische beleidsgroep het mede dragen. De verantwoordelijke pastor voor de liturgie zal de toerusting van parochianen op zich nemen en ook zelf voorgaan.
Niet alleen de viering zelf vraagt voorbereiding en zorg maar ook de voorbereiding van de parochianen. Publiciteit is onontbeerlijk: parochieblad, plaatselijke radio en TV en stad- of streekbladen, website, aanplakbiljetten/affiches et cetera.
Wanneer je mikt op bepaalde doelgroepen: jongeren, kinderen, zangers, ouderen, dan is het goed je publiciteit daarop af te stemmen: scholen, koren, KBO et cetera. Bovendien is het raadzaam de opzet en de voorbereidingen met mensen uit de doelgroep gestalte te geven en je te durven beperken tot die doelgroep.
Het is goed ons te realiseren dat we allang diverse vormen van liturgie vieren: de Aswoensdagviering, boeteviering, de kruisweg, de Allerzielenviering en de oudjaarviering. Deze vieringen zijn niet op een beperkte doelgroep gericht maar op heel de geloofsgemeenschap. In dit werkboek besteden we er geen aandacht aan.

Literatuur materiaal en adressen
Andere vieringen in het weekend, in: Samen Op Weg naar 2010, Aartsbisdom Utrecht
www.idee-en-kerk.org een site met nieuwe en oude ideeën voor parochie en gemeente.
www.tsoar.nl , www.michaelskerk.org , twee sites met diverse vormen van liturgie.
Bij Tsoar is op zondagmorgen een bijbelontbijt.

1. Diaconale viering
In de veertigdagentijd, in de advent en in de vredesweek komen gelovigen in het weekend samen rond het thema van de vastenactie, van solidaridad of van de vredesweek (Pax Christi). De verschillende organisaties ontwikkelen ieder jaar opnieuw materiaal waarbij meestal rekening gehouden wordt met het lezingenrooster. In de veertigdagentijd is er vaak een hongerdoek beschikbaar, bij vredesweek en advent zijn er andere symbolen of visuele mogelijkheden aanwezig.
Samenkomen rond Schrift en hongerdoek in een woorddienst of een gebedsdienst is een welkome aanvulling zijn op de eucharistie of communieviering van de zaterdagavond of zondagmorgen. Een gezamenlijke voorbereiding van MOV-groep en liturgiegroep kan ook bruggen slaan tussen de verschillende actieve parochianen op de gebieden van diaconie en liturgie.

Literatuur, materiaal, adressen
Missionaire agenda, www.missieraad.nl ;
Bidden om te leven, Meditatief gebedenboek, Centrum Diakonaat Dijnselburg, Kampen 2003
www.movplein.nl , www.solidaridad.nl/ , www.vastenaktie.nl/

Eenmaal in de maand is er in de Maria van Jesse Kapel in Delft een woorddienst met aansluitend een maaltijd voor dak- en thuislozen. Van 16.00 zijn de mensen welkom voor koffie of fris en cake of koek.
‘Om 17.00 uur begint de viering in de kapel. Deze viering bestaat uit een lied, een bijbellezing en een korte bijbeluitleg. Daarna zijn de voorbeden en het ontsteken van de kaarsen. In de voorbeden kunnen wij alles voor de Heer brengen, onze noden maar ook onze dankbaarheid! Voor God zijn wij allemaal gelijk en zijn wij kinderen van Hem. Zo is zijn Zoon Jezus ook onze broeder en zodoende zijn wij broers en zusters van elkaar.
Om 17.30 uur gaan wij eten. Een groep vrijwilligers heeft voor jullie een heerlijke maaltijd klaargemaakt. Bestaande uit een hoofdgerecht en een lekker toetje.
Met eventueel dieet willen wij ook rekening houden en ook voor hen die uit overtuiging geen vlees mogen eten. Want iedereen is welkom ongeacht geloofsovertuiging.
NB. het bijwonen van de vieringen in de kapel is uitdrukkelijk NIET verplicht
en zeker GEEN voorwaarde om welkom te zijn bij de koffie en de maaltijd.’

Literatuur, materiaal en adressen
www.rkstadsdiaconaatdelft.nl/Dak-_en_thuislozen/Vieringen.html

2. Gebedsdienst in de week voor de eenheid
In de gebedsweek voor de eenheid kun je als plaatselijke kerken samenkomen in gebedsdiensten. De klassieke vorm van de gebedsdiensten kennen we al voor het schisma tussen het oosters en westers christendom en voor de scheiding tussen de reformatie en de rooms-katholieke kerk. Deze gebedsdiensten hebben we dus gemeenschappelijk. Het vieren van een gebedsviering herinnert ons aan onze gezamenlijke afkomst. Hoe kun je de eenheid waarvoor we bidden oproepen of verbeelden? Je kunt doopvont centraal stellen, immers wij christenen zijn allen gedoopt. De doopvont kan op de plaats staan waar de mensen binnenkomen. Je ook de aanwezigen vragen op een gegeven moment in de viering naar voren te komen om de hand in het doopwater te steken of je ermee te bekruisen. Een andere wijze om duidelijk te maken dat we verlangen naar de eenheid van de christenen is om met verantwoordelijken uit de verschillende kerken naar voren te komen. Niet ieder hoeft wat te doen, het is voldoende als kerkenraadslid of lid van het parochiebestuur zichtbaar aanwezig te zijn.

Suggestie:
houd inderdaad een gebédsdienst (zie orde van dienst) en ga niet uitvoerig preken.

Suggestie:
wanneer er in de gebedsweek voor de eenheid meerdere gebedsdiensten zijn laat dan de verschillende deelnemende kerken deze gebedsdiensten verzorgen. Dan kun je in het verlangen naar de eenheid ook de verschillen in sfeer meemaken.

Literatuur, materiaal en adressen
www.oecumene.nl/gebed/GebedsweekEenheid/Gebedsweek.htm

3. Ionavieringen
Iona is een eilandje ten westen van Schotland en is de bezinningsplek van de Iona Community. De diaconale poot is gevestigd in Glasgow waar de leden van de oecumenische groep zich inzetten voor concrete projecten in de stad. Mannen en vrouwen, leken en ambtsdragers van diverse christelijke kerken wonen en werken in Groot-Brittannië, maar ook elders in de wereld. Zij delen een spiritualiteit die gecombineerd wordt door aandacht voor liturgie en diaconie – bid en werk – en het overbruggen van de tegenstelling tussen arm en rijk, noord en zuid, vrouw en man, hemel en aarde. Poëzie en plezier dragen er toe bij. Het morgengebed waarin leden over heel de wereld met elkaar verbonden zijn is sober en heeft een vaste orde van de gebedsdienst. De avonddiensten zijn thematischer, creatiever en speelser; ze hebben de elementen van een woorddienst, met ruimte voor experiment en voor drama. Iedere dag van de week heeft een eigen accent: vrede, heelheid, engagement etc.. Inmiddels dringen nogal wat liederen en gebeden in ons taalgebied door. Ook door de aandacht voor de Keltische spiritualiteit werkt daar aan mee.

Literatuur, materiaal en adressen
Liederen en gebeden uit Iona en Glasgow, Gooi & Sticht, 2003
Gerke van Hiele, Aanwezig onderweg, Keltisch-christelijke spiritualiteit voor vandaag, Kok Kampen, 2005
www.ionagroep.nl , Nederlandse site, tegelijkertijd toegang tot de Engelstalige site.

4. Woord/preekdienst
Aan de preek in de zondagsviering wordt natuurlijk veel zorg besteed. Toch kan de predikant/voorganger in zo’n preek – alleen al door de beperkte duur (niet langer dan 10 minuten) – exegetisch gezien niet echt uitpakken.
Er zijn zeker parochianen die geïnteresseerd zullen zijn in wat steviger preekkost. Er zijn vaak ook mannen of vrouwen in de parochie die theologie hebben gestudeerd, maar niet in de kerk zijn gaan werken. Misschien kun je deze twee groepen aan elkaar koppelen en op zaterdagavond een woorddienst houden waarin de predikant de tijd krijgt wat uitvoeriger op het schriftwoord van de zondag in te gaan.
Je kunt verschillende wijzen van preken onderscheiden en wanneer we deze nu achter elkaar behandelen komen er waarschijnlijk vanzelf voorbeelden naar boven.
• De preek als kerugma: dit is een vorm van verkondiging waarbij de predikant zich als opdracht stelt de blijde boodschap zo helder mogelijk door te geven, eventuele problemen bij het verstaan uit de weg te ruimen en suggesties te doen voor de toepassing in het leven van alledag. Het gaat om de proclamatie (het uitroepen) van het woord Gods.
• De preek als didachè. De preek wordt hier verstaan als uitleg. De hoorders worden bij de hand gepakt en naar de schrifttekst gebracht en de schrifttekst zelf wordt uit(een)gelegd. Deze vorm van preken vraagt didactische vermogens van de predikant en doet meestal een beroep op het rationele vermogen van de hoorder. Deze vorm van preken kan recht doen aan de steeds geringere kennis van het gelovigen over schrift, traditie en geloofswaarheden en christelijke levenswijze.
• De preek als martyrion. Degene die preekt legt in dit geval een persoonlijk getuigenis af. Als getuige ben je persoonlijk betrokken bij de zaak, in dit geval de zaak van het optreden van Jezus en komende rijk Gods. Je staat met je leven in voor de waarheid van je getuigenis. De preek is in deze vorm niet betogend of lerend, maar een persoonlijk verhaal. De predikant staat zelf op het spel en is het levend voorbeeld van Gods nabijheid, vormt de garantie van Gods bewogenheid met ons.
• De preek als homilie. In de homilie zal de predikant steeds opnieuw proberen de communicatie te bevorderen tussen zichzelf en de hoorders en de schrift en God zelf. De preek wordt een ontmoetingplaats waarin de vorm weliswaar een monoloog is, maar waarin de predikant zich inleeft in de hoorders, de schrifttekst, of het onderwerp vanuit verschillende perspectieven benadert, niet bang is voor tegenspraken, kortom de communicatie tussen alle aanwezigen bevordert. De boodschap is geen eenduidige boodschap die via overtuiging, uitleg of persoonlijke inzet doorgegeven wordt: de boodschap wordt door de hoorders zelf gemaakt.
Naast de verschillende wijzen van preken kun je ook de onderwerpen onderscheiden:
• je houd je aan het leesrooster en leest de lezingen van de zondag.
• je leest eventueel enkele weken achter elkaar een heel bijbelboek: Ruth, Jona, Esther
• je leest een verhalencyclus: de Jozefcyclus, de verhalen rond David.
• je leest de tien geboden, het onzevader en staat stil bij de richtingwijzers in onze leven en onze wijze van bidden.

Literatuur, materiaal en adressen
Er zijn veel boeken en tijdschriften met preken en voorbeden, korte eenvoudige overwegingen, wat langere preken dat meer aandacht vragen, kant en klaar materiaal of aanzetten. Naast de persoonlijk voorkeur is het belangrijk dat je zicht hebt op wie voor je zitten, op het gehoor. Een doelgroepanalyse kan daarbij helpen.

Recent verschenen zijn:
Marie-José Janssen en Gerard Zuidberg Vóór het luiden van de klok, Overwegingen en teksten bij het A-jaar, B jaar, C jaar, Gooi & Sticht 2005-2006
Preektijdschriften: Kerugma, Gooi & Sticht
Tijdschrift voor verkondiging, administratie 024 3782904
www.koningshoeven.nl de site van de trappisten te Berkel-Enschot
www.rkbavo.nl/preken de site van de kathedraal van Haarlem. preek: H J van Ogtrop
www.preekvandeweek.be  de site van Vlaamse Dominicanen
www.preken.nl een portaalsite met links naar andere preeksites
www.passievoorpreken.nl  beweging voor homiletische bezinning en bezieling

5. Leerhuis
Het leerhuis is een begrip uit de joodse traditie dat in de loop van de laatste eeuw in de christelijke kerken ingang heeft gevonden. Het is een bijeenkomst van gelovigen die zich samen over de schrift buigen om te zoeken naar een dieper verstaan van de schrift, naar achtergronden, naar actuele betekenis van het schriftwoord en de betekenis voor ons handelen van vandaag.
Het leerhuis heeft dus een studieuze kant: je zit met elkaar rond de tafel en leest en luistert naar elkaar. Er is ook een liturgische kant: je leest de Schrift hardop en daarmee komt Gods woord tot klinken; de liturgische kant kun je sterker maken door te beginnen met gebed, met het ontsteken van het licht, door het zingen van een lied, door…. De samenkomst heeft een gemeenschapstichtende kant: je komt rond Gods woord bijeen en laat je gezeggen, maar je luistert ook naar elkaar. In de joodse traditie gaat men ervan uit dat een vers eindeloos veel interpretatiemogelijkheden heeft. Er is geen centraal schriftgezag zoals in de rooms-katholieke kerk en in sommige protestante tradities. Het leerhuis kent de catechetische kant: in de uitwisseling en in de uitleg gaat men de Schrift en het eigen leven in het licht van de Schrift verstaan. Tenslotte kent het leerhuis ook een diaconale kant: het gezamenlijk zoeken van de betekenis van Gods woord voor ons concrete leven hier en nu spoort ook aan tot de inzet voor recht en vrede, voor het rijk Gods en voor de zorg voor de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling.

‘Schriftinstuif’ heet de ruimverspreide, maar niet meer verkrijgbare methode van Jan Groot en Henk Sechterberger bij de lezingen van de zondagen van het liturgisch jaar. Aan de hand van drie à vier vragen per schriftlezing gaan de deelnemers m/v met elkaar in gesprek over de lezing van de zondag. De gespreksleider kan zich voorbereiden door de achtergronden bij de vragen te lezen. Sommige voorgangers gebruiken deze methode om zich met enkele parochianen (eventueel ook de lector en de cantor) voor te bereiden op de overweging of preek. Met een enkel liturgische element kun je hier een leerhuis-liturgie van maken.
De orde van dienst bij leerhuisliturgie is los. Maar ook hier is het van belang dat er een vorm is waarin deelnemers echt kunnen binnenkomen en de overgang maken van de drukte van de dag naar de bezinning hier en nu; ook hier zal er een moment zijn van je afstemmen op elkaar en op de Eeuwige, van het openen van de Schrift en het lezen, van het overwegen van Gods woord en ons antwoorden erop in gebed of handeling.

Literatuur, materiaal en adressen
Schriftinstuif, Jan Groot, Henk Sechtenberger, een werkboek voor groepen bij schriftteksten van de zondagen, B, C, A, Gooi & Sticht, Hilversum 1990-1992

6. Cantatedienst/zangviering
We kennen in Nederland een sterk ontwikkelde zangcultuur. We hebben smartlappenkoren, operettekoren, jazz-zangweken en – niet te vergeten – de kerkkoren. Binnen de reformatorische traditie spelen cantatediensten een belangrijke rol. In alle grote steden worden meerdere keren per jaar cantates van Bach gezongen. Eind 19e en de eerste helft van de twintigste eeuw hebben de kerkkoren die gregoriaans en soms ook Latijnse missen zongen een enorme vlucht genomen, in de zestiger jaren ontstonden de jongerenkoren en naast de kinderenkoren, de koren voor de Nederlandse liturgie, de cantorijen zijn er nu ook de tussenkoren. Veel mensen zijn via een koor actief betrokken bij de liturgie. In eerste instantie zijn de koren dienstbaar aan de liturgie en vervullen zij de rol van de cantor, de man of vrouw die voorgaat in de liturgische zang. Ze ondersteunen het volk in het zingen van Gods lof. Natuurlijk wil een koor zich ook wel eens laten horen en puur de kunst van het musiceren beoefenen.
Misschien is het mogelijk om een paar maal per jaar, of misschien wel iedere maand een zangdienst te houden. Bijvoorbeeld op zondagmiddag een combinatie van koorzang en samenzang omwille van het plezier van zomaar samen te zingen, maar ook omwille van het plezier van God te loven. Je kunt de orde van dienst van een woorddienst of een meditatiedienst houden waarbij de zang de overweging of de meditatie is.
Enkele toelichtende zinnen bij de verschillende gezangen kunnen de betekenis ervan verdiepen.

7. Lof en uitstelling
Het lof is een gebedsviering waarin het heilige Sacrament centraal staat en met lof omringd wordt. Deze eucharistische aanbidding bestaat uit schriftlezing, zang, gebed en stilte en wordt besloten door een zegen met het Allerheiligste. De verlossende tegenwoordigheid van Christus is ons tot zegen, vandaar de zegen met het sacrament op het einde.
De lof en eer kan tot uitdrukking komen door gezangen, Te Deum, Tantum ergo et cetera,
door lofpsalmen en gebeden, door heerlijke geuren (wierook, bloemen, kruiden), door ons lichaam: (knielen, buigen en door het kijken met aandacht).
De lezingen uit de Schrift (zie ook een reeks lezingen in ‘De heilige communie en de verering van de eucharistie buiten de mis’ NRL 1976) zijn zó gekozen dat ze een interpretatie geven van Gods aanwezigheid onder ons in deze schepping.
De uitstelling van het Sacrament kun je beschouwen als een meditatieviering. Men plaatst de ciborie of monstrans op het altaar ter meditatie en stille aanbidding.

Literatuur
De heilige communie en de verering van de eucharistie buiten de mis. NRL 1975
Bidden zonder ophouden, Pastorale Handreikingen, Utrecht 2005, pag. 56-57

8. Rozenkransgebed
Vanouds is er in de rooms-katholieke kerk een speciale verering van de maagd Maria, de moeder van Jezus. Een van de uitdrukkingen daarvan is het rozenkransgebed. De rozenkrans is een gebedsnoer om de 150 weesgegroeten (men kan die beschouwen als vervanging voor het bidden van de 150 psalmen voor hen die de psalmen niet kunnen bidden) verdeeld in 15 tientallen te bidden. Lang niet altijd wordt de complete reeks weesgegroeten gebeden, vaak verdeelt men het geheel in drie delen van 50. Men begint met de geloofsbelijdenis, drie weesgegroeten voor de dochter van God, de moeder van Jezus en de bruid van de heilige Geest. Iedere tien weesgegroeten worden voorafgegaan door het onzevader en men sluit ze af met een ‘Eer aan de Vader…’.
Bij elk tiental weesgegroeten hoort een van de heilsgeheimen: de blijde geheimen, de droevige geheimen, de glorievolle geheimen. Johannes Paulus II heeft de vijf geheimen van het licht toegevoegd. Bij ieder van de heilsgeheimen hoort een schriftpassage, deze kan gelezen worden in het rozenkransgebed. De viering wordt afgesloten met een litanie ter ere van Maria.
Door een bepaald gebed onophoudelijk te bidden komt de bidder in een cadans en kan tot meditatie komen. Van buitenaf lijkt het bidden op ‘de automatische piloot’, maar juist de herhaling kan de verdieping bevorderen.
Wanneer de schriftlezingen die corresponderen met de heilsgeheimen worden gelezen komt het accent meer te liggen op de gebedsdienst.
Een andere vorm is een gebedsviering ter ere van Maria met de lofzang van Maria (magnificat), de aanroepingen van de Moeder Gods schriftlezing en gebeden en een rozenhoedje (een tientje = tien weesgegroeten).

Literatuur, materiaal en adressen
www.katholieknederland.nl/abc/rozenkrans.html
Vieren met Maria, Werkgroep voor Liturgie, Heeswijk, Abdij van Berne 1993
Klein Getijdenboek, NRL ’s-Hertogenbosch 2005 blz. 488
diverse bloemlezingen met gebeden en gedichten:
Maria, een bloemlezing in gedichten, samengesteld door Guus Luijters, Contact Amsterdam/Antwerpen 1993

9. Lauden
De lauden is de morgenviering van het getijdengebed. De eerste woorden richten de aanwezigen tot God: ‘Heer, open mij de lippen’. We vragen God om ons te helpen zijn lof (=lauden) te verkondigen. We zingen een hymne, een lied gericht tot God. Een plechtig, feestelijk gezang. En we zingen psalmen. Deze psalmen worden voorafgegaan en afgesloten door een kort zinnetje, de antifoon, het aspect waaronder we de psalm bidden. In de Walburgisbasiliek in Arnhem kiezen we hiervoor teksten uit hedendaagse gedichten. We lezen het gehele gedicht voor de psalm. Zo versterken psalmen en hedendaagse poëzie elkaar.
Als het koor en de gemeenschap de psalmen en gedichten zingen, dan doet we dat sober en meditatief. Geen grootse meeslepende melodieën, maar op eenvoudige, haast zeggende wijze. Iedereen kan meezingen, maar je kunt ook deelnemen door te luisteren en te overwegen. We luisteren vervolgens naar een bijbellezing. Hierna volgt een korte meditatie, soms een gesproken meditatie, soms een muzikale meditatie en een andere keer worden we stil rondom een schilderij of beeldhouwwerk.
De voorbede volgt. Ieder krijgt de mogelijkheid om zijn/haar gebeden, zorgen, wensen, dankbaar hardop of in stilte uit te spreken. Die hardop uitgesproken gebeden zijn niet altijd voor iedereen even goed verstaanbaar, van belang is dat God ze hoort. We branden daarbij wierook: ‘mogen onze gebeden opstijgen’.
Allerlei zintuigen worden in de Lauden aangesproken, we gebruiken bij het bidden ons hele lichaam. Zo kan men net als de gebedsvoorganger gaan staan en buigen als een psalm eindigt met: ‘Eer aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest’. Dit is een teken van eerbied voor God, de Levende. Bij het Onze Vader kan men de handen ontvangend openen: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood…’.

Literatuur, materiaal en adressen
getijdenboek, hedendaagse poëzie
www.laudenarnhem.nl

10. Thomasviering
Thomasvieringen zijn er voor twijfelaars met verlangen en voor gelovigen met vragen. We zoeken we naar hedendaagse openheid met woorden en teksten, maar ook met verstilling en verbeelding. Omdat niet iedereen hetzelfde wil, is er ‘de Heilige Chaos’ waarin je in beweging kunt komen en uit verschillende mogelijkheden kunt kiezen.
Thomasvieringen zijn komen overwaaien uit het Finse Helsinki. Ze bieden een thuis voor mensen die spiritueel ‘dakloos’ zijn. Thomas was een volgeling van Jezus die twijfels en vragen had: hij was een ‘ongelovige gelovige’.

De orde van dienst is die van de eucharistie. De opbouw van een Thomasviering in 12 punten:
1. Voorbereiding: ruimte inrichten – oefenen, waaronder gelegenheidskoor – voorbereidingsgebed.
2. Opmaat: ontvangst – muziek vooraf – oefenen van enkele liederen met iedereen
3. Opening: woord van welkom, aansteken van de kaars, inleiding op (thema van) de viering
4. Om Gods nabijheid: ‘Heer ontferm U’, bij pijn en moeite in de wereld / in ons leven
‘Dank en eer’ voor uw liefde, voor vreugde en vertrouwen.
5. Verhaal met … : bijbeltekst of ander verhaal lezen / vertellen, gecombineerd met of gevolgd door een verbeelding, uitwerking, presentatie (b.v. dia’s, dans, clown)
6. Heilige chaos: ruimte voor creativiteit en expressie, gedachten en gebeden met meditatieve muziek, je kunt in beweging komen, iets uiten of je juist iets te binnen brengen.
7. Delen, collecte: zo mogelijk met een gast die vertelt over het werk dat de aandacht / ondersteuning krijgt.
8. Tafelviering en gebeden: in een kring met matzes, wijn / druivensap waarbij ook de ingebrachte gebeden (gebedsbriefjes) en het Onze Vader worden gebeden
9. Mededelingen en slotwoord
10. Zegenlied
11. Nazit: ontmoeting met koffie of thee, (ook) in het ‘Thomasboek’ kun je reacties geven
12. En verder: na het opruimen is regelmatig een groepje die ergens in de stad nog wat drinken en praten

In Thomasvieringen is allerlei variatie mogelijk. De 12 punten zijn meer hulpmiddel dan harnas voor de mensen die de viering voorbereiden. Meestal is dat een groepje van 3 a 4 personen, waaronder een theoloog en de muzikale medewerker.

Literatuur, materiaal en adressen
www.thomasvieringen.nl
Een Thomas Celebration, in: Marcel Barnard en Niek Schuman, Meinema, Nieuwe wegen in de liturgie, Zoetermeer 2002
Marcel Barnard, Een Thomasviering in de Walburgiskerk in Arnhem, in: Liturgie voorbij de Liturgische Beweging, Meinema, Zoetermeer 2006
www.kerkenzevenaar.nl  doorklikken naar werkgroep Thomasvieringen

11. Taizéviering
De broeders die in Taizé (midden Oost-Frankrijk) en op andere plaatsen van de wereld samenleven en werken komen drie maal per dag samen om te bidden. Men opent met enkele gezongen psalmverzen, dan volgt een lezing uit de schrift beantwoord door zang, er volgt een lange stilte, daarna wordt hardop gebeden waaronder eventueel een gezongen litanie. Eigen aan de liturgie is het internationale en het oecumenische karakter (de liederen klinken vaak in meerdere talen, zo ook de gebeden en de lezingen), de herhaling (die niet noodzakelijkerwijze voortkomt uit het vorige punt), de mantra-achtige meditatieve muziek en de stilte.

Literatuur, materiaal en adressen
www.taize.fr/nl
Nico Vlaming, De stilte zingt U toe, Zoetermeer 2001
Liederen en gebeden uit Taizé, Gooi en Sticht, Baarn 1994
Jonge mensen bij de bron, liturgie in Taizé, in: Marcel Barnard en Niek Schuman, Nieuwe wegen in de liturgie, Meinema 2002
Martin J.M. Hoondert, Om de parochie, Ritueel-muzikale bewegingen in de marge van de parochie, Gregoriaans Taizé Jongerenkoren, Heeswijk 2006 (met uitvoerige literatuurvermeldingen)

12. Het Hemels Gelag
Voor het Hemels Gelag is een aantal onderdelen bedacht dat past bij de denkbeelden van jongeren. Het zijn stimulansen om de onderlinge ontmoeting meer diepgang te geven. Over het algemeen wordt er iedere dienst dezelfde opbouw gebruikt, echter de ceremoniemeester is vrij de onderdelen in eigen volgorde te plaatsen. Je ziet elementen van de woorddienst en van een meditatieviering. Omdat de aanwezigheid van (te) veel volwassenen de aanwezige jongeren kan beletten om vrijuit te spreken, wordt er getracht om het aantal volwassenen zo laag mogelijk te houden. Dit komt erop neer dat er per Hemels Gelag over het algemeen alleen een waard, een voorganger, een ouderling van dienst en één diaken als volwassenen aanwezig zijn. Uiteraard zijn de meeste gasten voor het interview die worden uitgenodigd volwassenen, maar met hen gaan de aanwezige jongeren in gesprek.
• Opening en welkom: de paaskaars wordt aangestoken. De bijbeltekst van die zondag wordt voorgelezen en het thema van het Hemels Gelag wordt bekend gemaakt.
• Het Gloriaatje: er worden meestal kleine groepjes gevormd, naar leeftijd, kleur van de ogen of sokken of… . In de groepjes stelt iedereen zich even kort voor, voor zover je elkaar nog niet kent. Vervolgens worden er een paar stellingen gegeven waar kort over gediscussieerd kan worden, of een opdrachtje waar je als groep aan werkt. Deze eerste twee onderdelen zijn bedoeld om een brug te slaan van de dagelijkse werkelijkheid naar de sfeer en diepgang van het Hemels Gelag.
• Het Grote Verlangen: het interview met een gast rond het thema. Het persoonlijk verhaal en het geloof krijgen een plaats in dit vraaggesprek. De jongeren kunnen ook vanuit hun betrokkenheid ook vragen stellen. De laatst vraag is altijd “wat is uw grote verlangen?”.
• De Tapperij: een verhalenverteller vertelt een zelfgemaakt verhaal. De bijbeltekst van die zondag wordt dan gebruikt als inspiratiebron voor het eigen verhaal, zodat de bezoekers een link kunnen leggen naar hun eigen leven.
• De Gelagtafel: de mensen die tot nu toe actief betrokken zijn geweest gaan met elkaar in gesprek om te zoeken naar de verschillen en overeenkomsten van wat er gezegd is. Zo worden de voorgaande onderdelen samen gebracht en gaat men dieper op het centrale thema in. Ook in dit deel worden vragen vanuit de zaal op prijs gesteld. Een discussie (met verschillende spelvormen) naar aanleiding van een stelling bij het thema is ook mogelijk.
• De Hemelpoort: er wordt gecollecteerd. De inzameling wordt toegelicht.
• Tot op de bodem: de voorganger neemt ons in dit deel mee naar “de stilte” in een verduisterde zaal. In een soort geleide meditatie is er ruimte voor gebed, rust en stilte om na te denken over wat er allemaal in de dienst is gezegd, of over de afgelopen en komende weken. Ook is er de gelegenheid een kaarsje aan te steken. Sommigen delen dit met de groep, anderen steken in stilte een kaarsje aan. Dit deel wordt afgesloten met een bijpassend stukje muziek.
• Het laatste rondje: de voorganger neemt weer het woord. Soms vindt er een gezamenlijk gebed plaats, waarna hij/zij de viering zal proberen samen te vatten. De bijbeltekst, het thema en de viering bij elkaar gebracht. Er wordt een boodschap meegegeven en de hoogtepunten worden naar voren gebracht. Het laatste rondje is dus de afronding van de dienst.
Soms wordt daarna weer een stuk muziek gedraaid als overgang naar de gewone zondag.

Literatuur, materiaal en adressen
P. Hendriks en T. Schoemaker, Het hemels gelag, Vernieuwend vieren tot op de bodem, Zoetermeer 2004
www.3ranken.nl/jongerenwerk/hemelsgelag/

13. Jongerenviering
Sinds de zestiger jaren zijn er jongerenvieringen. Ze hebben een eigen plaats in het liturgisch aanbod van de parochie en kenmerken zich door een jongerenkoor en door een actieve inbreng van een tekstgroep of voorbereidingsgroep. De orde van dienst van de eucharistie of de communieviering wordt dikwijls gehandhaafd. De opzet van de viering gaat vaak uit van een thema waar een bijbellezing en ook niet bijbelse lezingen bij worden gezocht, en niet zozeer van het leesrooster. Het repertoire van de jongerenkoren is verschillend: (vertaalde) popsongs of popsongs met eigen teksten, Nederlandstalige liturgische gezangen gemaakt voor jongeren koren, Taizé-gezangen, opwekkingsliederen en klassiek-liturgische gezangen.
De voorbereiding van de viering is voor de groep minstens van evenveel belang als de viering zelf en blijkt een vindplaats van geloof en mogelijkheid erover te communiceren.

Literatuur, materiaal en adressen
www.code-music.nl
Martin J.M. Hoondert, Om de parochie, Ritueel-muzikale bewegingen in de marge van de parochie, Gregoriaans Taizé Jongerenkoren, Heeswijk 2006 (met uitvoerige literatuur vermeldingen)

14. Popviering/rockdienst
Een rockdienst is een gewone kerkdienst, d.w.z. de gangbare liturgie wordt gevolgd, waarin de gebruikelijke liederen zijn omgewisseld voor de songs van een rockband. Daarbij moet de tekst van een song uiteraard passen bij het moment in de dienst. Bovendien moet er een thematiek in zitten, die ook in de bijbel voorkomt, zodat bijbellezingen en songs elkaar aanvullen. Rockmuziek in een grote zaal op klein volume klinkt niet, dus er is een liefst professionele podiuminstallatie nodig, zodat de muziek de zaal geheel kan vullen, slechts weinig minder hard dan bij een popconcert of in de disco. Het is zeker de moeite waard om ook met beelden te werken: met filmmateriaal of met foto’s. Daarvoor is een goede beamer nodig, terwijl de zaal niet fel verlicht mag zijn.
www.janandriesdeboer.nl/?page_id=19

15. Agapéviering, solidariteitsmaaltijd
Het Griekse woord agapè betekent liefde. Het is de liefde die Paulus noemt in I Kor 13,14 ‘Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.’
Deze liefde betreft niet de huwelijkse, de geslachtelijke of de romantische liefde, maar de omgang met elkaar in de eerste christelijke gemeente. Een agapèmaaltijd is een maaltijd waarbij men zijn eigen eten meenam en waarin de onderlinge verbondenheid werd geleefd en gevierd. Zie ook Handelingen 2,46 ‘Ze braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde.’ Tijdens deze maaltijd zijn er liturgische momenten: een gebed aan het begin van de maaltijd, een psalm of een lied, een korte schriftlezing een paar gedachten te overweging, een voorbede met een gezamenlijk onzevader, een slotgebed. Juist de agapèviering is vanouds een gebeurtenis waarin de onderlinge solidariteit en de zorg voor de armen centraal staat.
Een viering als deze vraagt om gedekte tafels en stoelen en zal men eerder in een parochiecentrum houden of ‘in een of ander huis’ dan in het kerkgebouw.
zie bijvoorbeeld www.pauluskerk-baarn.nl klik via erediensten naar preken naar ds Schaap naar de preek van 28 jan 2007

16. Mystagogische viering
In een cultuur waarin we veel liturgische symbolen, houdingen niet meer verstaan, waarin we de tekens van het kerkgebouw en de afbeeldingen niet meer kunnen lezen is het goed om gelovigen opnieuw in te leiden. Hierbij is het van belang dat het niet alleen een ‘hoofd’zaak is, een kwestie van weetjes, maar dat het ook kennis van het hart is en voedsel voor de ziel. Eigen aan de mystagogische benadering is, dat het ervaren van het (religieuze) ritueel aan de uitwisseling voorafgaat. Kniel maar eens op de grond met het hoofd tegen de vloer en bidt God om ontferming en wissel daarna uit wat er met je gebeurt. Een begeleider kan je helpen naar woorden te zoeken en te associëren en te ontdekken wat dat met je eigen bestaan en je verbondenheid met God te maken heeft.

Enkele van de oefeningen in dit werkboek kun je verstaan als mystagogische godsdienstoefeningen.

Literatuur
Romano Guardini, Van heilige symbolen, De Toorts Heemstede 1940

17. Enkele algemene aandachtspunten
In alle vormen van openbare liturgie komen we als vanzelfsprekend enkele spanningsvelden tegen, die ons steeds opnieuw uitnodigen hier en nu met elkaar te vieren.
1. In elke vorm van samenkomst zit de spanning tussen het vaststaand / herhaalbaar ritueel en spontaniteit / improvisatie.
2. Veel vormen van liturgie worden beschreven in officiële boeken. Deze beschreven liturgie moet hier en nu in de concrete situatie vlees en bloed krijgen.
3. Haast iedere plaatselijke gemeenschap heeft de neiging zichzelf maatgevend te beschouwen en zo zichzelf te vieren. Een taak van de voorganger is altijd de verbinding te blijven voeden met heel de wereld, de wereldkerk en de traditie.
4. In iedere vorm van samenkomst kun je het ritme ontdekken van ontvangen, binnen laten komen en reageren, lectio, meditatio, oratio.
5. Uitgangspunt in de christelijke liturgie is, dat het verzamelde volk de liturgie voltrekt; toch lijkt het vaak dat er een scheiding is tussen kerkvolk en voorgangers.
6. In ieder vorm van liturgie komen we de spanning tegen subjectief en objectief, afstandelijk en nabij, persoonlijk en terughoudend.

ad 1. Waarschijnlijk kent ieder uit eigen ervaring deze spanning tussen herkenbaarheid en onverwachtsheid. Wanneer je bijvoorbeeld elkaar ziet, vinden er altijd herkenbare, vaste rituelen plaats (handen schudden, knikken, glimlachen, vaste uitwisseling van woorden, zinnen) en die geven weer de ruimte voor nieuwe verhalen, onverwachte wendingen, nieuwe informatie.
Wanneer er alleen maar vastgelegde rituelen plaatsgrijpen wordt de ontmoeting doods, maar wanneer alles onverwachts en nieuw is zet de deelnemer zich schrap, sluit zich af en maakt dat nieuwe niet meer mee. Het gaat er dus ook in de liturgie om, een ritme te vinden tussen vertrouwd en herkenbaar aan de ene kant en nieuw en verfrissend aan de andere.

ad 2. De voorge/beschreven liturgie in de boeken is de gevierde liturgie niet. De woorden moeten nog beademd worden, moeten nog vlees en bloed worden. De Franse priester en kerkmusicus Gelineau neemt het missaal/rituale/getijdenboek en de plaatselijke gemeenschap hier en nu even serieus. Hij bestudeert het hoe en waarom van de rubrieken (in het rood afgedrukte aanwijzingen in de tekst; het Latijnse woord ‘ruber’ betekent ‘rood’) en de verantwoording en uitleg in de inleiding van de officiële boeken. Daarnaast staat hij met beide benen in de plaatselijke gemeenschap, beziet wat haar hier en nu bezighoudt (aan lief en leed), wat ze liturgische gezien aankan (eenvoudige of uitbundige rituelen), wat de liturgische ruimte aan (on)mogelijkheden biedt (een dorpskerkje vraagt om andere elementen dan een stadskathedraal).

ad 3. De plaatselijke gemeenschap ontstaat onder andere door gewoontevorming: ‘zo doen we dat nu eenmaal hier’. Dat is een bindende en continuerende kracht, die overigens ook nieuwe mensen en nieuwe stimulansen kan uitsluiten. De genadevolle ervaring ‘Hoe goed is het hier samen te zijn’, kan omslaan in ‘zie ons het eens hier goed voor elkaar hebben’. De samengeroepen gemeente van Christus wordt dan de burgerlijk/knusse naar binnen gekeerde groep die zichzelf viert. Een taak van de voorganger is de plaatselijke gemeente weer in de grotere context te plaatsen: liturgie heeft altijd een maatschappelijke component (diaconie), heel de wereld is onze missie, we worden gestuwd door de stroom van eeuwen.

ad 4. In al onze samenkomsten kennen we het ritme, inademen – vasthouden – uitademen. Of impressie – bezinken – expressie. We krijgen indrukken, onze zintuigen worden geactiveerd, we krijgen tekst of muziek te horen, we krijgen iets te zien. Deze indrukken komen niet alleen binnen, ze beroeren ons, ze moeten ook bezinken. Wanneer deze indrukken bezonken zijn, kunnen we niet anders dan te reageren, uitdrukking geven aan wat het met ons doet. In liturgische termen is dat lectio – meditatio – oratio. Lezing – overweging – gebed. Deze woorden kunnen ons op het verkeerde been zetten: een stevige betogende preek is geen meditatio, maar een lectio. En een geloofsbelijdenis na die stevige preek functioneert als oratio. Wanneer je in een viering niet voldoende momenten hebt van meditatio, kom je in een dodelijk heen-en-weer van actie – reactie waarbij de gelovigen geen mogelijkheid hebben om zich eigen te maken wat er gebeurt. Wanneer er te weinig mogelijkheid is voor de reactie, oratio, dan word je opgeladen en raak je betrokken, maar krijgt geen mogelijkheid deze betrokkenheid te uiten door te zingen, door te bewegen of door te spreken.

ad 5. Heel de gemeenschap is de voltrekker van de liturgie. Binnen de samengeroepen volk Gods zijn er verschillende functies: voorganger/priester, cantor, lector, diaken, acoliet, volk. Deze functies zijn op elkaar betrokken en vormen rollen in het liturgische spel dat géén toeschouwers kent. Toch suggereert de frontale opstelling – het volk tegenover het priesterkoor – een toneel met publiek. De banken die ons steeds meer tot een gezeten kerk zijn gemaakt vergroot de betrokkenheid ook niet en een koor dat optreedt in de liturgie maakt het volk tot toehoorders. Positief gezegd is het van belang een opstelling te vinden in de concrete ruimte die de betrokkenheid van alle spelers intensiveert, het gaat erom dat allen meedoen met lijf en leden, met alle zintuigen, het is van belang dat het koor onderdeel is van de volkszang.

ad 6. De tegenstelling tussen persoonlijk en afstandelijk waar het gaat om het voorgaan in de liturgie, is een onbruikbare tegenstelling. De voorganger kan in haar zorgvuldige en aandachtige wijze van voorgaan de objectieve liturgie zeer nabij brengen. Omgekeerd kan een voorganger door een zeer persoonlijk gekleurde wijze van voorgaan iedere afstand uit het oog verliezen, de ruimte van de liturgie beperken door zijn eigen aardigheden en daardoor een grote afstand scheppen.

Hoofdstuk 3 liturgische begrippen nader bekeken

1. Bijbel en liturgie
De bijbel is het boek van God met de mensen. Deze uitspraak kun je op minstens twee manieren verstaan. Je kunt de nadruk leggen op het Gods Woord voor ons. Je kunt ook de nadruk leggen op de ervaringen van mensen met God. Dat verhaal is nog niet afgelopen, dat verhaal speelt zich niet af in de voltooid verleden tijd, maar heeft toekomst. In onze liturgie wordt in de ‘dienst van het woord’ uit de bijbel gelezen, maar niet alleen dan. In de klassieke liturgie, de eucharistie en het getijdengebed is vrijwel de hele liturgie schrifttekst: openingsgroet, het Heer, ontferm U, het Gloria, het Alleluja, het Sanctus, het onzevader, het Lam Gods, de zegen, etc.
Niet alleen speelt de bijbel een belangrijke rol in de liturgie, de liturgie speelt ook een belangrijke rol in de bijbel. Veel fragmenten uit de Schrift hebben een liturgische oorsprong of context. Een goed voorbeeld is vinden we in het boek Deuteronomium, hoofdstuk 26, vers 1 tot en met 11. (Deut. 26, 1-11) en ook in het evangelie van Lucas, hoofdstuk 4, vers 15 tot en met 22 (Lc. 4,15-22).

De bijbel is een dik boek en over het algemeen lezen we het in de liturgie niet van het begin tot einde, van Genesis 1,1 tot en met Apocalyps 22, 21. Meestal wordt de keuze van de schriftlezingen ook niet overgelaten aan de predikant, dat zou op den duur willekeur te weeg brengen. Er is een geordende wijze van lezen, waarbij de verschillende schriftlezingen inclusief de psalmen op elkaar afgestemd zijn. Het boek waarin een reeks pericopen (lett. uitsnijding) staat heet een lectionarium. Er zijn drie lectionaria voor de zondagsliturgie, een voor het A-jaar waarin het evangelie van Matteus uitgangspunt is, een voor het B-jaar, waar Marcus aangevuld met Johannes centraal staat en een voor het C- jaar waar het evangelie van Lucas de leidende rol heeft. Er zijn ook drie lectionaria voor de doordeweekse liturgie. Er is een lectionarium voor het getijdengebed, en er is een lectionarium voor de heiligen en kerkelijke feesten. Naast dit rooms-katholiek lectionarium zijn er ook andere: een oecumenisch, een oud-katholiek et cetera.
We geloven dat de bijbel Gods woord is en niet dat de leesroosters heilig zijn. Maar ze kunnen ons wel helpen Gods woord licht te laten werpen op ons leven hier en nu. Als je psalm 119, 105: ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad.’ serieus neemt, dan kun je steeds bij lezing van de dag overwegen hoe dat woord jouw pad vandaag verlicht.
Een andere liturgische omgangsregeling met de Schrift is om in enkele liturgische bijeenkomsten achter elkaar één bijbels boek of boekje te lezen (lectio continua). Zo’n wijze van lezen veronderstelt een geloofsgemeenschap die week in week uit constant is. Tenslotte zoekt men soms ook bij uitgekozen thema een schriftfragment. Het gevaar daarvan is dat het schriftverhaal kan gaan functioneren als een illustratie bij het thema en zijn tegendraadsheid en eigen kracht verliest.

Om duidelijk te maken dat lezing uit schrift Gods woord is omringen we de schriftlezing met eerbied: we lezen uit de bijbel zelf of een lectionarium (en dus niet uit een liturgieboekje of blaadje), we gaan staan om te luisteren of bewieroken het boek.

2. Collecte en aanbrengen van de gaven
De meeste gelovigen kennen de collecte uit de eucharistieviering. Tijdens de eucharistie worden de gaven van brood en wijn naar voren gebracht en de aanwezigen dragen bij aan deze gaven in de collecte. In de oudste liturgie namen de gelovigen hun gaven ‘in natura’ (niet als geld) mee naar liturgie. De diakens verzamelden alle gaven en zetten de schaal met brood en de beker wijn apart op het altaar en verdeelden na afloop van de viering de gaven onder degenen in de parochie/gemeente die dat nodig hadden. Omdat geld een betaalmiddel is, ervaren veel gelovigen niet meer dat ze in de collecte meedoen in het aandragen van de ‘levensmiddelen’.
In communievieringen, woordvieringen, gebedsvieringen of meditatievieringen is er geen processie van het aandragen van de gaven en heeft de collecte een andere functie. Het is zinvol om de collecte te combineren met de voorbede: we bidden niet alleen voor de noden van de wereld, maar we geven er ook gul voor uit eigen portemonnee.

3. Gast en gastheer
We komen niet uit onszelf bijEen in de liturgie, wij worden samengeroepen en God is de gastheer die het volk verzamelt rond de tafel van het Woord en de tafel van de dankzegging. Wij zijn dus allen gasten, inclusief de voorganger, de voorzanger en voorbidder en we worden ontvangen en we mogen ontvangen. Vandaar dat degene die voorgaat geen welkom hoort te heten, want dan gaat z/hij op de plaats van de Eeuwige staan, dan wekt z/hij de suggestie dat het ons huis is waarin we samenkomen.

4. Gastvrijheid
Als geloofsgemeenschap die open wil zijn voor nieuwkomers en die een boodschap aan de wereld heeft willen we gastvrij zijn. We willen mensen het gevoel geven dat ze welkom zijn. Dat is te bevorderen door goede publiciteit in de media, door een toegankelijk gebouw te hebben, een vriendelijke en goed verlichte ingang. Je kunt mensen in het gebouw verwelkomen door hen een liedbundel of een boekje/blaadje te geven. Een attente en bescheiden benadering van nieuwkomers of herintreders of snuffelaars is ook op zijn plaats.
Gastvrijheid vindt ook zijn uitdrukking in een herkenbare en heldere orde van dienst, in liturgische muziek die ons samenvoegt, in verstaanbaarheid van woorden en rituelen.

5. Gebed
In iedere vorm van liturgie bidden we. Ons bidden is een antwoord, een reactie op Gods woord, op Gods toewending naar ons. We bidden in stilte, individueel, vanuit de stilte welt het gebed op in ons en zoekt een uitweg; we bidden gezamenlijk, bijvoorbeeld het onzevader; we bidden voor onszelf en voor anderen, bijvoorbeeld in de voorbede. Als ons bidden een antwoord is op Gods woord voor ons, dan is bidden op de eerste plaats danken, loven, en zegenen. We steken God de schepper, God de verlosser en God de inspirator de hoogte in. Daarnaast vragen en smeken we God, ons nabij te zijn, ons te helpen, ons te verhoren.
In de liturgie bidt de voorganger vaak námens ons. In houding en woord en gebaar keert de voorbidder zich namens ons tot de Eeuwige. Luisterend bidden allen mee. De behoefte actief deel te nemen aan de liturgie uit zich soms in het gezamenlijk uitspreken van de gebeden. Wanneer we onbekende gebeden samen uitzeggen wordt het vaak eerder een oplezen van de woorden dan aandachtig bidden.
Als we bidden staan we over het algemeen rechtop, we zijn opstandingsmensen. De voorganger maakt soms een orante-gebaar, de handen en onderarmen in een ontvangende houding uitgestrekt, de handpalmen geopend naar boven. In een gebed richten we ons tot God, niet tot het volk in de liturgische ruimte. Wanneer de voorganger achter de lezenaar staat, kan zij ons oproepen tot gebed en vervolgens een stap achteruit doen. Daarmee maakt ze ook in de ruimte tijd voor gebed. Wanneer zij vervolgens het gebed uitspreekt, keert ze zich eerder in zichzelf om zich af te stemmen op God, dan dat zij de gelovigen aankijkt. We doen ook geen mededelingen in de gebeden (onlangs nog gehoord in de voorbede: we bidden voor de overledenen, in het bijzonder voor mevrouw Driever, het Hofje 31 die eergisteren is overleden en dinsdag om 10 uur vanuit deze kerk wordt begraven. Laat ons bidden…)

De structuur van openings- en slotgebed
Het gebed begint met de gebedsoproep, de klassieke oproep is ‘Laat ons bidden’. Deze woorden nodigen de aanwezigen uit tot gebed, ze richten de aandacht van de aanwezigen en trachten de individuen tot een biddende gemeenschap te maken. Daarna is er stilte, dat wil zeggen: ruimte voor gebed. De gebedsoproep is dus niet een vraag om aandacht voor het gebed van de voorganger, het is de vraag om aandacht voor de Eeuwige. Ruim de tijd nemen dus voor persoonlijk gebed. Al deze individuele gebeden worden vervolgens door de voorganger verzameld, samengevat en voor God gebracht.
Wij zijn de eersten niet die ons tot de Barmhartige wenden. Veel van onze vaders en moeders hebben gebeden, onze voorouders hebben het gebed ontvangen en weer doorgegeven aan de volgende generatie. Wij zijn de eersten niet. Ook de eerste christenen hebben de woorden gebeden die hun waren doorgegeven, wij staan biddend op de schouders van het joodse volk. We staan in een traditie en precies dat geeft ons de vrijheid ons tot God te richten. Er is al eeuwen en eeuwen contact, we zijn al verbonden.
Maar hoe spreek je God aan? De aanspreking maakt uit. Iedereen weet, dat wanneer je een brief/mail schrijft het anders klinkt of er boven staat: hoi, of beste, of lieve, of dag. In de aanspreking van God benoem je al de relatie: je spreekt God aan en je stemt je af op zijn barmhartigheid, op haar nabijheid, op zijn waarachtigheid of haar verborgenheid. De aanspreking zelf is al een gebed of een belijden: Mijn Heer en mijn God. In de klassieke gebeden klinkt na de aanspreking vaak de anamnese, de gedenkende herinnering aan wat er al is voorgevallen tussen God en ons. Daarmee stellen we de geschiedenis die God en wij al hebben met elkaar, tegenwoordig. We zijn geschapen, uitgeleid uit Egypte, teruggevoerd uit de ballingschap, verlost, verzoend en uitgezonden. Juist omdat we al zo’n geschiedenis met elkaar hebben, mogen we God wat vragen. Die vraagt, die smeking heet de epiclese. Zo gaat dat ook onder vrienden die nauw met elkaar verbonden zijn geraakt. Omwille van de traditie die we al hebben, mogen we een beroep op de Eeuwige doen of de Enige van ganser harte prijzen. Het klassieke gebed wordt na de vraag of de dank afgesloten met een doxologie, een lofprijzing van God, Vader, Zoon en Geest. De aanwezigen (niet de voorganger) zeggen daarop instemmend ‘Amen’, ‘zo is het’ of ‘moge het zo zijn’, ‘zo zij het’.

Voorbede
Na de overweging richt de gemeenschap zich biddend tot de Eeuwige en legt de Eeuwige voor waar ons hart vol van is, waar we nauwelijks woorden voor kunnen vinden, wat ons beroert en bezig houdt en wat ons verplicht.
‘Wat ons verplicht’. Wanneer wij onze intenties – en intentie betekent dat waarop wij ons richten, of waarop we gericht zijn – voorleggen aan God dan zijn we er niet van af. We verplichten ons – staande in het verbond van God met de mensen – ons er samen voor in te zetten. In het bidden oefenen we ons in solidariteit.
‘Wat ons beroert of bezighoudt’. Het gaat er niet om wat mij individueel bezig houdt en beroert, het gaat erom waarop de gemeente, heel het lichaam, betrokken is of betrokken raakt. Overigens kan een bede, kunnen de woorden van een intentie, mij als individuele gelovige weer betrekken op maatschappelijke noden, de omgang met elkaar, onze missie. Hoewel ik uitdrukkelijk wil waken voor moralisme in de voorbede, hoor je in de voorbede wel waar deze gemeenschap voor staat. In de voorbede toont de geloofsgemeenschap haar pastorale en diaconale gezicht. De voorbede houdt mij bij mijn opdracht, ook al is die opdracht me niet altijd even welkom.
‘Waar we nauwelijks woorden voor kunnen vinden’. Gun de gemeente, gun jezelf de ruimte van de stilte. Wat moeilijk uit te spreken is, vraagt een enkel woord, liefst een beeld en stilte om dat beeld in je rond te dragen. De voorbede is geen herhaling van de overweging, een grote hoeveelheid woorden slaat dood. Bij de voorbede komen woorden voort uit de stilte.
‘Waar het hart van vol is’. Het is goed te luisteren naar je eigen hart, naar dat van de gemeente. Je stelt je de vraag: wat dragen mensen met zich mee wanneer ze nu naar de kerk komen? Een voorbedenboek, een schrift waarin gelovigen hun bede of intenties voor de viering kunnen opschrijven kan daarbij helpen.

De voorbede is een gebed
Na de oproep tot gebed, inkeer en verstilling die tot de geloofsgemeenschap is gericht wórdt het ook stil. De voorbidder noemt de intentie, richt de aandacht van de aanwezigen op zaken, gebeurtenissen, mensen die wij voor God willen brengen. Bidden in de liturgie is kwetsbaar. De voorbidder richt zich publiek tot God, laat zich daarin zien. De voorbidder leest geen voorbede voor die hij/zij eerder heeft gebeden in de studeer-, huis- of binnenkamer; maar bidt (hopelijk wel goed voorbereid) hier en nu in een houding van verstilling. Dus niet de kerk inkijken of de mensen toe spreken. Het mooiste zou zijn wanneer de voorbidder tussen de mensen staat en zich – met allen – richt naar het Oosten, de opgaande zon, beeld van de Levende, de Verrezene.
De oproep tot de gemeente ‘Laat ons bidden…’ is wel weer een directe communicatie met de gemeente. Soms onderbreekt die hinderlijk het gebed en kiest de voorbidder eerder voor stilte, soms is het een geschikte manier de aanwezigen bij het bidden te betrekken. De voorbede wordt afgesloten met een kort samenvattend gebed.

6. Grondritme van de liturgie
Iedere samenkomst van mensen kent eenzelfde ritme: je krijgt indrukken, je laat ze bezinken en je reageert. Dat gebeurt ook in de liturgie en in de Latijnse termen is dat: lectio, meditatio, oratio. Dat betekent letterlijk: lezing, overweging, gebed. Deze termen ze zijn niet eenduidig. Een sterk betogende preek heeft meer van een lectio, de lezing, dan van een meditatio, de mogelijkheid het voorafgaande in je op te nemen. Een lied kan de functie van een gebed oratio hebben, omdat je zingend zó reageert op wat je daarvoor gehoord hebt. Zo ook kan een geloofsbelijdenis, zeker een actueel geformuleerde, in de feitelijke viering soms de functie hebben van een lectio, die overwogen dient te worden en waarop dan een reactie komt. Maar na een indrukwekkende preek kan een credo ook de functie hebben van een oratio, een reactie.
Misschien scheppen deze termen verwarring, daarom probeer ik het nog eens: God heeft het eerste Woord (lectio), wij overwegen dat (meditatio) en reageren daarop in gebed (oratio), we geven het woord – veranderd – weer terug. Het is een ritme dat, als een cirkelbeweging, enkele malen in de liturgie voorkomt en uiteindelijk gericht is op de contemplatio, het opgaan in de God.
Wanneer er geen mogelijkheid is voor overwegen (meditatio) dan verzeilen we in een automatisch vraag- en antwoordspel, waarbij de voorganger wat zegt of doet en de aanwezigen onmiddellijk reageren, waarna de voorganger weer spreekt, waarop de aanwezigen weer antwoorden etc. Het is een communicatie van actie-reactie, waarbij er geen mogelijkheid is om tot je door te laten dringen wat er eigenlijk gebeurt. Waarschijnlijk kom je dan helemaal onrustig uit de kerk: je hebt je niet eigen kunnen maken wat er plaatsgreep en je inbreng is teruggebracht tot een werktuigelijke reactie.
Wanneer er geen mogelijkheid is voor de aanwezigen om te reageren (oratio) in gezamenlijke zang of gebed, lichaamshouding e.d. dan kom je helemaal overvol en opgeladen de kerk uit. Je hebt van alles te horen gekregen, je hebt allerlei indrukken opgedaan, maar je kreeg de kans niet om te reageren, om iets terug te zeggen en zo deel te nemen.

De vieringen kennen nog een andere ritme: de afwisseling van steeds terugkerende vaste elementen en momenten van improvisatie; de afwisseling van herkenning en verrassing; de afwisseling van de formele rol en directheid, persoonlijke betrokkenheid. Wanneer je in een bijeenkomst keer op keer louter dezelfde rituelen meemaakt en niets nieuws hoort of doet, zal de sleur toeslaan en de bijeenkomst zijn aantrekkelijkheid verliezen. Wanneer iedere bijeenkomst helemaal nieuw is, wanneer alles je verrast, ben je geneigd om je schrap te zetten, om je níet toe te vertrouwen. Het is zoals het publiek op de eerste rij bij een cabaretier: je weet nooit of de man of vrouw op het toneel jou aanspreekt of erger nog, de vloer op roept. Het is dus zaak ook in de liturgische bijeenkomsten een ritme te vinden tussen het vertrouwde en het nieuwe, tussen het ordinarium en proprium, tussen het steeds terugkerende en het eigene van een bepaalde tijd.

7. Heilige
Een heilige is een mens in wie een aspect van de Levende (God, Jezus Christus) op een bijzondere wijze aan het licht komt. Daarmee wordt de heilige verwijzer naar God. Het woord ‘heilig’ hangt samen met ‘heil’ en met ‘heel’. Het zijn dus gave mensen die leven/hebben geleefd en ons behoeden en het goede in ons oproepen. Je zou kunnen zeggen dat ze een belichaming zijn van een aspect van de Levende. Ze bemoedigen ons om ‘zo goed als God te zijn’ en in ons leven te getuigen van Jezus Christus. ‘Het is te doen, de navolging van Christus’, zeggen ze tegen ons. Wanneer je van kindsbeen af je naamdag viert, bijvoorbeeld op 30 november Sint-Andreas, dan krijgt je wat met deze visser die werd geroepen en uitgezonden. Het wordt een rolmodel. Er zijn veel dagen in het jaar dat we een heilige herdenken.

8. Lichaam en bewegen
In de liturgie staat heel ons leven op het spel: ons individuele bestaan en ons sociale leven, ons religieuze leven en ons maatschappelijk leven, ons geestelijk leven en ons lichamelijk bestaan. Heel ons leven: geboorte, relaties, gebrokenheid, verzoening, toewijding, ziekte en dood.
De liturgie van na het Tweede Vaticaans concilie heeft zich met name vernieuwd op het verbale vlak en is soms een praatliturgie geworden, met de nadruk op het begrijpen en verstaan én met de nadruk op het geestelijke. In de vernieuwing zijn we wellicht het lichaam vergeten. Toch geloven we dat God ons heeft geschapen uit het stof van de aarde, toch belijden we dat God in Jezus mens is geworden, helemaal lichaam bepaald door tijd en ruimte, volledig sterfelijk. Wanneer we God willen loven en bidden in de liturgie, vraagt dat onze volledige geestelijke en lichamelijke toewijding.
Het is goed ons af te vragen welke liturgische houdingen we kennen, hoe we de liturgische ruimte binnen komen, hoe we met ons lichaam gebruik maken van deze ruimte, hoe onze zintuigen (mond, ogen, neus, huid en oren) worden ‘aangesproken’.

9. Lichaamshoudingen
De gezamenlijk liturgische houdingen bevorderen de verbondenheid van de gelovigen, ze drukken enerzijds de innerlijke houding van respect of hoop, of eerbied uit. Anderzijds, door de gebaren te maken of de houding aan te nemen roep je de innerlijke gevoelens zelf op.

 Oefening De nu volgende liturgische houdingen ga je nog sterker ervaren, wanneer je ze ook beoefent. Zorg voor een plaats waar je niet gestoord wordt, begin met een kaars aan te steken en met een ontspanningsoefening en gun je vervolgens de tijd om de verschillende lichaamshoudingen te proeven. Wanneer je met meer mensen bent en je kunt in de liturgische ruimte –in de kerk – oefenen, ontvouwt de rijkdom van de diverse houdingen zich nog meer in de uitwisseling van de ervaringen.

Staan
Je kunt op heel verschillende wijzen staan, ontspannen of attent, fier of verslagen, gedragen door de aarde of ontheemd. Staan en gaan staan drukt respect uit, maar ook stevigheid en aanwezigheid. In de liturgie associëren we staan en opstaan met de verrijzenis. Door te (gaan) staan tonen wij ons opstandingsmensen. Staan is de gebedshouding: we richten ons in respect tot God, we laten ons ook helemaal zien en we zijn attent op de aanwezigheid van de Eeuwige. Ieder van ons kent de ervaring dat je zittend en ook wel knielend kan wegdromen. Wanneer je staat blijf je attent.
Anders dan in de ons omringende landen gaan wij in de liturgie onmiddellijk na de groet zitten. Wanneer je de inleiding van het altaarmissaal leest – stevige maar leerzame kost – dan gaan de gelovigen pas zitten na het Heer, ontferm U, het Gloria en het openingsgebed. Voorwaarde is dan wel, dat de inleiding zich beperkt tot een enkel woord en geen eerste preek wordt.

Zitten
Ook zitten kun je op vele wijzen doen: ontspannen, onderuitgezakt, rechtop en gespitst op wat komen gaat, ontvangend en bezinnend. Tijdens de lezingen (met uitzondering van het evangelie, dat altijd de opstanding verkondigt) en de overweging zitten we in de liturgie en misschien kun je aan de wijze van zitten zien hoe de lezing of de overweging ontvangen wordt.

Lopen zie: processie

Knielen, buigen
Door te knielen toon je respect, smeek je, aanbid je. Wanneer je knielt, en zeker wanneer je dan ook nog je hoofd buigt, of zodanig knielt dat je billen je hielen raken en je voorhoofd de grond voor je knieën, voel je wat het betekent je klein te maken. Je voelt wat het betekent iemand die jou ziet zelf niet aan te kijken, maar ook wat het betekent kwetsbaar te zijn en toch gezien te worden. Het is niet toevallig dat deze houding lijkt op de houding van de foetus. Je bent klein en overgeleverd aan de genade van degene die voor je zorgt. Ook het buigen drukt respect en nederigheid uit. De hoofd- en de lichaamsbuiging zijn te onderscheiden. De gelovigen buigen het hoofd wanneer de drie goddelijke personen (Vader Zoon en heilige Geest) worden genoemd, de lichaamsbuiging maakt men voor het altaar.

Liggen
We kennen het liggen als liturgisch houding uit de liturgie van Goede Vrijdag en de liturgie van de wijding. In de liturgie kun je de houding letterlijk verstaan als terneergeslagen zijn, in de rouw zijn. In de liturgie van de wijdingen drukt het liggen uit dat de wijdeling voortkomt uit de aarde en ook als een zeer intense smeekbede.

Literatuur
De ontmoeting met Jezus de Heer, pastoraal liturgische handreiking, NRL 1997 Kosterboek, blz.159 vv, CPS, Nijmegen

10. Liturgie, (ere)dienst, viering, eucharistie, mis, godsdienstoefening
Het woord liturgie komt uit het Grieks en betekent dienst aan/van het volk, vriendendienst, kerkelijke dienst. In de rooms-katholieke kerk is het de verzamelnaam van alle soorten rituelen die mensen voltrekken.In de protestante kerken noemt men vaak het boekje met de orde van dienst en de liederen en gebeden de liturgie.
Eredienst bergt het woord eer en dienst in zich: het is onze opdracht (dienst) God in woord en gebaar te erkennen (eer te brengen).
innen de protestante kerken is het woord dienst gebruikelijk. Het zelfde woord komt voor in godsdienst, en verwijst naar de afhankelijkheid die de gelovigen hebben ten opzicht van God. We kennen de woorddienst, de communiedienst, de dienst van de tafel, de dienst van de gebeden en de gebedsdienst en de meditatiedienst. Het zijn evenzoveel liturgische vormen om samen te komen om God eer te brengen rond het woord, rond de tafel, rond de communie, door te bidden en door te mediteren.
In het woord viering klinkt niet zozeer de verplichting mee als wel het plezier van het verkeren met de Levende, het feest en de rite. In de vreugde en de handelingen waarmee we vieren bevestigen we ons bestaan.
Het woord viering maakt deel uit van de woorden liturgieviering, huwelijksviering, eucharistieviering. communieviering etc. en beklemtoont het feestelijke en vrijwillige. In de combinatie met uitvaart (uitvaartviering) wijst het woord viering eerder op de het leven dan op de dood, eerder op de verbondenheid dan op het einde; in combinatie met boete (boeteviering) wijst het woord viering op de ruimte die we ontvangen in de vergeving.
Eucharistie is een Grieks woord en betekent dankzegging. Het grote dankgebed het eucharistisch gebed vormt het hart van deze viering en het hart van ons geloven: we staan dankend voor God. Mis komt uit het Latijn en is een ander woord voor eucharistie. Het woord komt van missio, onze zending de wereld in om te doen wat we in de eucharistie hebben gehoord en gevierd.
Godsdienstoefening is de deelname aan een vorm van liturgie. Opvallend is het woord oefening. Het suggereert dat we liturgische verhouding met God kunnen inoefenen en onderhouden en dat vraagt tijd en aandacht.

11. Liturgische gebaren

kruisteken (met wijwater)
Er zijn veel momenten in de liturgie dat de gelovigen een kruis slaan en sommigen doen dat ook bij binnenkomst in een kerk met wijwater. Het is een tastbare herinnering ook je doopsel. Wat doe je eigenlijk als je een kruisteken maakt?
Met je rechterhand, of rechter wijs- en middelvinger raak je je voorhoofd, je buik, je linker- en je rechterschouder aan, van boven naar onder van links naar rechts. Daarmee bekleed je je met de gekruisigde Christus, je stelt heel je lichaam, je intelligentie (voorhoofd) en je gemoed (buik) onder het teken van het kruis. Het kruis is het dubbelzinnige teken van het lijden en de dood, en van de overwinning van die dood in Jezus. Maar het is niet alleen Christus met wie je je bekleedt, je spreekt ook de naam van de drie-ene God uit: In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Oefening Maak eens bewust in alle rust een kruisteken en voel aan den lijve wat er met je gebeurt. Is het kruis dat je maakt in deze fase van je leven een teken van het lijden of van de opstanding of van bescherming of…?

Handen open naar boven geheven
Wanneer je je armen omhoog heft, met de handpalmen naar boven, ga je open voor het heil, voor de kracht die van boven komt. Dit heet de orante-houding. Het is een houding die in velerlei culturen uitdrukking is voor de ontvankelijkheid voor God.

Oefening Ga in de (liturgische) ruimte staan en hef je armen met de handpalmen naar boven. Neem er de tijd voor en probeer het gebaar op verschillende wijzen te doen. Heel groot en breed, of klein met je armen nog dicht bij bovenlichaam, je vingers gespreid of juist dicht. Wat gebeurt er met je tijdens deze oefening, wat gebeurt er met je borst en je innerlijk, wat gebeurt er met je handpalmen Wat is de orante-houding die jou nu past in deze ruimte? (NB een grote kathedraal vraagt om een andere houding dan een huiskamer).

Handen in komvorm
Wanneer je handen in een komvorm houdt wordt je een ontvangende mens. Deze houding hebben veel gelovigen wanneer ze de communie ontvangen.

Handen gevouwen, handen ineen gestrengeld
De handen vouwen is een gebaar van je toevertrouwen aan een hoger iemand. Je onderneemt niets meer met je handen, maar legt ze bijvoorbeeld als wijdeling in de handen van de bisschop. Ineengestrengelde vingers is een individuele gebedshouding, eerder thuis aan tafel dan in de liturgie.

Handen op het hoofd leggen
De handen op het hoofd is een gebaar van bescherming, waardering en van overdracht van kracht. Het is een zegenend gebaar dat we in de liturgie kennen van het vormsel, het huwelijk, de doop, de wijding.

Handen geven
In veel kerken geven de gelovigen elkaar een hand bij de vredewens. Wanneer je elkaar een hand geeft maak je lijfelijk contact, verbinden twee lichamen zich met elkaar. Een van de verklaringen van het ontstaan van de handdruk is, dat je door je open hand laat zien dat je ongewapend bent, dat je in vrede komt.

12. Liturgische taal
Taal is in de communicatie tussen God en mens en de mensen onderling van vitaal belang. In het eerste scheppingsverhaal horen we dat God schept door zijn woord: ‘En God sprak er zij licht en er was licht’. God lijkt hier een dichter die door zijn woord een nieuwe werkelijkheid tot stand brengt. De bijbel noemen we –zeker in de liturgie– Gods woord. We geloven dat de Schrift geïnspireerd is, dat de Eeuwige zich daarin tot ons richt. Gods woord is nog dichterbij gekomen in Jezus Christus. In hem is het woord vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Johannes 1, 14). Liturgie als ons antwoord op Gods woord is voor een belangrijk deel taal. (Maar beperkt zich daar niet toe!)
Over wat voor taal hebben we het dan? In de liturgie, in de gebeden in de overweging zoeken we steeds opnieuw naar taal die oproepend is, poëtische taal. Met louter beschrijvende taal, de taal van ‘een en een is twee’ kun je het mysterie niet benaderen. Waar het gaat over ingrijpende ervaringen in ons leven: geluk en verdriet, dood en leven, liefde en haat, daar red je het niet met beschrijvende taal. Probeer maar eens je ervaring met sterven of met liefde onder woorden te brengen. Probeer maar eens te omschrijven wie God voor je is. Steeds weer zal je na een poging moeten zeggen: nee, zo bedoel ik het niet. Kortom, de ingrijpende ervaringen in ons leven, het mysterie van God is niet in woorden te grijpen, niet te begrijpen. Moeten we dan maar zwijgen?
We kunnen inderdaad de stilte behoeden in de liturgie, bidden vanuit de stilte; en behalve woorden zijn er natuurlijk ook symbolen, muziek. Maar waar het gaat om taal moeten we steeds zoeken naar taal die aan de ene kant verstaanbaar is voor vrouwen én mannen, goed opgeleide mensen én mensen met weinig vorming, inclusieve taal. Taal die niet vastlegt maar eerder oproept. We komen dan uit bij beeldende taal, om zo onder woorden te brengen wat eigenlijk met woorden niet te zeggen valt. Deze taal leren we uit de bijbel zelf. Psalm 1 spreekt over de weg van de zondaars, over de tafel van de spotter, over een boom geplant aan levend water.
De weg is niet de A12, maar de levensweg, het bestaan dat iemand leidt. De tafel is niet alleen een verhoging op poten, maar ook een verzamelplaats en plaats waar men elkaar ontmoet en de maaltijd deelt, de boom is vaak een beeld van de mens zelf, geplant in de aarde die reikt naar de hemel en vrucht draagt. Het levend water is het stromende water. Ieder weet dat water dat lang stil staat brak wordt, levend water heeft planten en dieren in zich, draagt het leven en voedt in het geval van psalm 1 de boom die aan de oever staat geplant.
Liturgische taal is taal die het mysterie van God met de mensen, van leven en dood met zorg omspeelt, niet om het te be’grijpen’ maar om het met elkaar te vieren.

13. Openingsdienst
Het belang van de opening van de viering is moeilijk te overschatten. Individuele mensen zoeken een woord, een gebaar, een moment, dat hen goed doet; ze zoeken verbondenheid met elkaar en God die hen opbouwt en zijn zich dat soms niet eens bewust. We kunnen de openingsdienst als een overgangsritueel beschouwen. De overgang (1) van buiten naar binnen, (2) van individu naar gemeenschap, (3) van het leven van alledag naar dit bijzondere moment, (4) van nuttigheid (en de taal die daarbij hoort) naar het gratuite (en de taal die daarbij hoort), (5) van het profane naar het sacrale.
Door samen binnen te komen, door een gezamenlijke houding aan te nemen (te gaan staan), door samen te zingen (dat is een groot belang van het openingslied: klank en adem mengen met elkaar) vormen we een gemeenschap. Voor mensen die met regelmaat samen vieren is die overgang niet zo’n probleem; voor wie zelden of nooit samen vieren is moeilijker je toe te vertrouwen. Pas wanneer je het gevoel hebt dat je als individu bent gezien, wil je je voegen bij de grotere groep. Daarom is het goed bij de opening van een uitvaart de verschillende mensen in hun relatie met de overledene of met de familie te noemen. Wanneer je in een uitvaart van een betrokken echtgenoot en vader die werkte in de IT sector en ook voetbaltrainer was, ook de pupillen van de overleden amateur-coach noemt zul je hen vanaf de achterste rij ineens betrokken zien knikken. In de stilte en het openingsgebed klinkt gebedstaal en komt ook de communicatie met de Eeuwige tot stand.

14. Optocht/processie
In een processie (uit het Latijn, letterlijk: voortschrijden) getuigen de deelnemers dat zij op tocht zijn. Ze hebben hun doel niet reeds bereikt of verwezenlijkt, zij zijn geen gezeten burgers, maar zij zijn onderweg. Er zijn verschillende soorten processie. Het is een bedetocht waarbij de gelovigen het kerkgebouw verlaten, de straat opgaan en in woord en gebaar, in zang en beweging getuigen van wat hun heilig is.
Ook ín de kerk kennen we ook diverse processies. De klassieke eucharistie wordt onder andere gestructureerd door drie grote bewegingen van achteren naar voren, van buiten naar binnen. Bij deze drie processies naderen we het altaar, het beeld van de Levende onder ons. Vanouds vraagt het naderen van het altaar, het heilige, aparte zorg en een zorgvuldige vorm (b.v. het gezamenlijke optrekken, met zang en buiging).
In het begin van de viering komt een aantal van de deelnemers aan de viering naar voren. Als deze processie wordt gehouden zijn het vaak de acolieten/misdienaars, de lector, (de diaken) en de priester die er aan meedoen. Kruis en lectionarium worden feestelijk binnengebracht en ondertussen zingen de gelovigen. Er zijn vormen denkbaar waarin ook de cantorij en zelfs álle gelovigen in processie de kerk binnentrekken.
De offerandegang is ook een processie van buiten naar binnen. Elementen zijn de collecte, onze gaven en de vruchten van de aarde –brood en wijn– die we toewijden aan God. We hebben ze ontvangen en we geven ze terug. In het brengen van de gaven geven wij ook (iets van) onszelf. Als het gaat om beweging is het een beweging van boven naar beneden (we hebben alles ontvangen van God), van beneden naar boven (we geven het terug, dragen het op, wijden het toe) en weer van boven naar beneden (en ontvangen het weer als de communie). Ook deze processie wordt afgesloten met een gebed.
In de derde processie gaan de gelovigen ter communie. ‘We ontvangen wat we hebben gegeven en we worden wat we ontvangen, het lichaam van Christus.’ Augustinus verbindt twee betekenissen van het rijke beeld van het lichaam van Christus. Een eerste betekenis is die van het heilige brood, een tweede betekenis is de verzameling van ledematen. De gelovigen samen vormen het lichaam van Christus.
Daarnaast kennen we de processie op Palmzondag, de lichtprocessie in de paasnacht, de processie op Maria lichtmis, de sacramentsprocessie et cetera.

15. Preek, overweging, homilie, getuigenis
Preek en homilie
zijn de ambtelijke bediening van het woord in de geloofsgemeenschap en als zodanig voorbehouden aan de priester. Het is de uitleg van de Schrift binnen de leer van de kerk, gericht op het doen en laten van de hoorders.
Overweging en meditatie is een vorm van verkondiging die de samengekomen gemeenschap helpt het schriftwoord te verinnerlijken.
Getuigenis is een vorm van verkondiging waarin de christelijke boodschap gecommuniceerd wordt via de persoonlijke geloofservaring. Als getuige ben je betrokken op de zaak, je staat in voor wat je hebt gezien/beleefd, een getuige is wat anders dan een toeschouwer. Een ander woord voor getuigenis is martyrium: je staat met je leven in voor je belijden; ons woord martelaar komt daar vandaan.

16. Ritueel, symbool, teken
De wezenlijke rite (de kernrite) van het doopsel bestaat uit het onderdompelen van de dopeling in het water of het gieten van water over zijn hoofd met de woorden: ‘naam’, ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.Wat hier gebeurt is een ritueel: het samengaan van een symbool, een symboolhandeling en een symboolwoord.
Een symbool is een gewoon ding dat opeens voor mij in een bepaalde context een zeggingskracht krijgt, waardoor het ding mij meer openbaart dan het ding gewoon is te doen. (Gerard Lukken, Rituelen in overvloed, Gooi & Sticht, Kampen, 1999)

Oefening Wanneer je met een groep mensen bij elkaar zit en je legt in het midden – voor iedereen goed zichtbaar en zonder dat er andere dingen afleiden – een steen, een rivierkei neer en je nodigt de aanwezigen uit in stilte een tijd naar die kei te kijken, zul je verbaasd zijn wat dat ding in ieder aan verhalen oproept. Ineens denk je aan die vakantie in Griekenland van jaren terug, of je ziet het graf van je ouders voor je, of je voelt weer die zware presse-papier in je hand of…

Het symbool heeft twee kanten: dat wat je er in ziet én dat wat het in je oproept. Laten we als voorbeeld een sleutel nemen. Afhankelijk van de situatie in je eigen leven – je maakt het goed en hebt toegang tot jezelf of tot andere mensen, je voelt je opgesloten, je hebt geen thuis, je weet je onafhankelijk, je neemt je verantwoordelijkheid of wijst die juist af – geef je die sleutel een bepaalde betekenis. Maar de sleutel zelf heeft ook een concrete vorm – het is een grote verroeste, of een kleine glimmende – of komt in een bepaalde context voor – ligt op straat, hangt om de nek van een kind, ligt op een kussen bij de overdracht in de kerk of met carnaval. Juist de combinatie van de eigen levenssituatie en de concrete gestalte van de sleutel roept heel verschillende betekenissen en gevoelens op.
Een symbool is een vat vol betekenissen die ook nog tegenstrijdig kunnen zijn. Een symbool is altijd meerduidig. Een symbool verwijst naar de betekenislagen onder het stoffelijke, onder de letterlijke betekenis. Het symbool heft het materiële niet op, maar boort de rijkdom van betekenissen aan die er onder ligt. In het doopsel is het water symbool: het verwijst naar dorst en lessen van dorst, naar de zee als plaats van het wemelend leven, maar ook als gevaar van verdrinking, water voor de vruchtbaarheid en als verwoestende kracht, in de kerk gaan er ook verschillende bijbelverhalen waarin water een grote rol speelt meeklinken.

• Een symbool is niet te maken, het doet zich voor. De zinsnede ‘we moeten er nog een symbool bij zoeken’, ontkent het meest wezenlijke van een symbool, n.l. dat het mij pakt en niet omgekeerd.
• Een symbool is meerduidig in tegenstelling tot een teken: een teken is een eenduidige afspraak die de communicatie tussen mensen regelt. Denk maar eens aan een verkeersbord: als dat teken voor verschillende mensen verschillende betekenissen zou hebben was de chaos niet te overzien. Een symbool is meer dan een illustratie. Een illustratie is een toelichting, een verluchtiging of een plaatje bij een praatje.
• Oersymbolen zijn water, lucht, aarde en vuur. De symbolen die we gemeenschappelijk hebben komen vaak uit de agrarische samenleving: boom (levensboom, kruis), bron, tafel, brood, beker, graan, weg etc.
• Wil een symbool ‘werken’ dan heeft het ruimte en tijd nodig. In het voorbeeld van de keisteen in het midden van een kring mensen suggereerde ik al dat er geen andere dingen moeten afleiden en dat ieder de tijd krijgt om naar de steen te kijken.

Symbooltaal is oproepende taal, taal die niet vastlegt, geen beschrijvende taal, maar verbeeldende taal, mythische taal, geen wetenschappelijke taal. (zie ook: liturgische taal)

Een symboolhandeling is een handeling met een symbool. Ook je lichaam, bijvoorbeeld je hand, is een symbool in het welkomstritueel van elkaar een hand geven met een gesproken groet.

Karakteristiek aan een ritueel is dat het veiligheid geeft in een ‘kritieke’ situatie:
• Individueel: overgang van de dag naar de nacht, van samen naar alleen, van bewust naar onbewust, van licht naar donker. Het ritueel van kruisje voor het slapen gaan, van het spelen met de knuffel geeft een bedding voor deze gevoelens.
• In de omgang met mensen vormen rituelen een orde: ga eens op koffievisite bij een verjaardag. Door het bekende Hollandse ritueel weten we precies hoe we ons moeten gedragen en kunnen we enige tijd met veel mensen in een kleine ruimte doorbrengen.
• In de omgang met God zijn het ook rituelen die een ordening aanbrengen tussen de Ongeziene en mij/ons: de toenadering, de offergave, de maaltijd. Ten slotte: Rituelen gezamenlijk ondergaan werken gemeenschapvormend.

De mens als symbool
In het boek ‘In het licht van zijn aangezicht’ betoogt Abraham Heschel dat er geen losse symbolen zijn die ons kunnen verbinden met God. Het zijn niet de voorwerpen die symbool zijn; het enige symbool van God is de mens.

 We hoeven geen symbool te hebben; we kunnen een symbool zijn. Vanuit dit gezichtspunt zijn voorwerpen en handelingen nooit symbolen op zichzelf, maar dienen ze om de levende symboliek te versterken. (Bijleveld Utrecht zj, 117).

 Als het inderdaad gaat om de mens als symbool, is de schaal of de kelk of het wierookvat op zichzelf niet belangrijk, maar gaat het erom op welke wijze deze mens hier en nu deze schaal of beker optilt, of het wierookvat zwaait; dan zijn handeling, voorwerp en betrokken intentie niet van elkaar los te maken. Niet de handeling of het voorwerp zelf is heilig. Maar in de aandacht en toewijding waarmee de mens met het voorwerp omgaat of de handeling verricht, kan die mens symbool van de Heilige worden. (Wees heilig, want Ik, de Heer, uw God ben heilig. Leviticus 19,2). Deze manier van beschouwen heeft consequenties voor ons voorgaan, voor het zorgvuldig omgaan met de dingen en de toewijding in de handelingen.

17. Ruimte
Naast de aparte tijden (de overgang tussen nacht en dag en dag en nacht, zondagmorgen, kortste dag van het jaar), zijn er in de geloofsgemeenschappen ook aparte ruimten om samen te komen en te vieren. Deze kerken zijn groot of klein, oud of modern, en vormen de liturgische ruimtes. Louter ruimte, afgezonderd van de ‘nuttige’ ruimte, de woon- of werkruimte. Ruimte zonder allerlei spullen, meubels of beelden, onbezette ruimte als kritische herinnering aan God die ons de schepping heeft toevertrouwd, niet om te bezitten of te beheersen, maar om te beheren. Een onbe’teken’de ruimte als beeld van God van wie we geen beeld kunnen maken, kennen we ook in andere godsdiensten. Tot aan de verwoesting van de tempel van Jeruzalem in 587 voor Christus, stond in het Heilige der heilige alleen de ark van het verbond en wanneer je een moskee bezoekt zul je opmerken dat er een nis is gericht op Mekka met niets erin. In veel verhalen in de thora lees je hoe een stuk grond of een steen apart wordt genomen en toegewijd wordt aan God: ‘hij richtte een steen op, hij maakte een altaar’. Natuurlijk we weten het wel: de hele aarde is van God, maar juist dit altaar, feitelijk een stukje verhoogde en daarmee verhevigde aarde, beeld van heel de aarde met de vier hoeken als de vier windstreken, juist deze steen is een verheviging en verbijzondering van dat besef. Zo wordt zo’n altaar of zo’n steen of een boom en de ruimte er omheen symbool van de verbondenheid tussen de hemel en de aarde, God en de mensen. (zie Jacob in Bethel, Genesis 28, 18).
God leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.
Kan de ruimte waarin we bijeenkomen om te vieren een ruimte worden waarin dit psalmwoord (psalm18,20) opnieuw gebeurt?

Er zijn twee woorden in gebruik voor het gebouw waarin we vierend samenkomen: ecclesia en kerk: église en Kirche. Kerk komt van kyriakon: huis van God, huis van de Heer. Ecclesia verwijst naar ‘naar buiten roepen’ en is verwant met de (Griekse) volksvergadering.
In de twee benamingen van de ‘kerk’ en ‘ecclesia’ – huis van God en huis van het volk – komen we meteen de spanning op het spoor die we altijd zullen ondervinden bij de (her)inrichting, maar ook bij het normale gebruik van de kerk. De gemeenschap die samenkomt voelt de behoefte zich de ruimte toe te eigenen, aan te kleden en gezellig te maken. Wanneer je de nadruk legt op het huis van de Heer, zal de stilte en de onbetekende (niet door allerlei kunst- of devotievoorwerpen bezette) ruimte de nadruk hebben.

Maar we vieren niet alleen in een kérk. Je kunt ook in de aula van een school vieren, rond de eettafel, buiten onder een boom, in een feestzaal. Dat brengt ons bij de vraag: hoe kun je een ruimte tot een liturgische ruimte maken? Op de eerste plaats moet je zeggen dat mensen de ruimte tot een liturgische ruimte maken. Je kunt een bijbel op een tafeltje in het midden leggen. Sterker is het wanneer een voorganger of lector met een bijbel aan komt lopen en deze daar neerlegt. Je kunt zorgen dat er een brandende kaars staat, beter werkt het waneer in het begin van de viering een kaars aangestoken wordt. Wanneer de aanwezigen, een kring, een hoefijzer vormen of voor de getijden tegenover elkaar gaan zitten en de ruimte ertussen op een bijbel, een kaars en eventueel een liturgische bloemschenking na leeglaten, op dat moment wordt de ruimte een liturgische ruimte. Waneer je allerlei liturgische gerei meeneemt kan de indruk ontstaan dat we ‘kerkje gaan spelen’.

18. Schuldbelijdenis, gebed om vergeving, bede om ontferming
Het kost velen van ons moeite over ons tekort, onze schuld of onze fouten te spreken. Dat is natuurlijk niet zo vreemd, want het zijn niet onze mooiste kanten en over het algemeen ben je niet trots op wat je fout hebt gedaan.
Wanneer we in het begin van de viering stil staan bij onze tekorten, is dat niet om ons klein te maken of te vernederen. Het is eerder om de schulden en het tekorten die we hebben onder ogen te zien en ze achter ons te laten.(psalm 32: ‘Zolang ik doof was voor de stem van mijn geweten werd ik verteerd van binnen, vluchtte ik in zelfbeklag. Uw hand woog zwaar op mij, dagen en nachten lang.’ vertaling: 50 psalmen) We mogen onze schuld uitspreken, ons tekort benoemen, omdat we de Levende belijden als een God van vergeving. God heeft de nadruk op onze kleinheid niet nodig om groot zijn. Sterker nog: Gods glorie zijn opgerichte mensen. Maar we kunnen ons pas tot onze volle mensenmaat oprichten, als we wat ons neerdrukt achter ons laten.
We kennen de schuldbelijdenis als een vaststaande formuliergebed. Het heeft als voordeel dat je geen eigen woorden hoeft te zoeken, het heeft als nadeel dat het kan slijten en betekenisloos wordt. Een zelfgeformuleerde schuldbelijdenis of een bede om vergeving kan in zijn frisheid de aanwezigen openen; bij een eigen formulering ligt het moralisme (het geheven vingertje van de bidder) ook altijd op de loer. De bede om ontferming in de protestante eredienst bidt met name om Gods ontferming over de wereld in zijn aangevochten staat.

19. Stilte
De oudste Griekse vertaling van de bijbel, de Septuagint, vertaalt het eerste vers van psalm 65 als volgt: De stilte is u een lofzang. De versie uit het Liedboek voor de kerken is: De stilte zingt U toe. In deze oeroude en zeer actuele psalm klinkt het besef dat we het met woorden alleen niet redden.

In de stilte zoek ik U, God.

Bent U in de stilte?
Bent U stilte?

Dan bent U om mij heen
en ik ben in U.

Wonderlijk.
Goed

uit: Zeggen en zwijgen. Oecumenisch gebedenboek voor alledag. Meinema 2005

Ieder van ons kent de ervaring dat je verdriet of je vreugde zo groot is dat woorden tekort schieten, (mensen die zichzelf graag horen praten beginnen met deze woorden hun ellenlange toespraak). Behalve woorden en symbolen die we tot onze beschikking hebben in de communicatie is er gelukkig ook de stilte. Precies in het afzien van woorden zie je ook af van je pogingen die overweldigende ervaring te be’grijpen’.
De stilte is een wezenlijk onderdeel van de liturgie. Stilte is geen afwezigheid van geluid of woorden of lawaai. Immers de omgevingsgeluiden, de geluiden van de schepping, van je eigen adem en hartsslag neem je altijd waar. Nee, stilte is op de eerste plaats openstaan en luisteren. In de stilte kun je luisteren naar jezelf, naar wat er omgaat in je hart. In de stilte kun je ook luisteren naar wat anderen beweegt, wat hen bezighoudt en kun je je met hen verbinden. In de stilte kun je ook luisteren naar het woord of de stem van de Ene.
In de eucharistie vormt na de communie, de lichamelijke vereniging met de Levende, de grote stilte, de geestelijke vereniging met de Levende, het hoogtepunt van de viering. (Ad de Keijzer, Om voor Gods gelaat te staan, Gooi & Sticht 1999). De stilte in het begin van de viering, de stilte van het openingsgebed, de stilte na de overweging en de stilte tijdens de voorbede zijn kostbare momenten, die een geloofsgemeenschap langzaam kan gaan waarderen.

20. Voorganger, voorzanger, voorlezer, voorbidder
In iedere viering waarin gelovigen bijeenkomen zijn verschillende rollen. Op de eerste plaats is er het volk Gods dat samengeroepen wordt door de Eeuwige. In de samengekomen gemeenschap is er de voorganger. Deze is gewijd en/of heeft de zending van de bisschop, maar er zijn ook voorgangers die gevraagd zijn door de plaatselijke gemeenschap en daarin bevestigd worden. De voorganger staat in de gemeenschap en heeft ook altijd de functie van tegenover. Dat is soms letterlijk: z/hij staat tegenover de aanwezigen, het is ook figuurlijk z/hij brengt de wereld binnen, is verbonden met de wereldkerk, kan soms de profetische functie hebben (maar een profeet – zo weten wij uit onverdachte bron, Lucas 4,24 – wordt niet in eigen stad geëerd). De voorganger vertegenwoordigt de traditie, de kerk van eeuwen, waarin de samengekomen gemeenschap hier en nu is staat. In de eucharistie heeft de voorganger de functie van voorzitter, de president die de vergadering van de gelovigen leidt.
De cantor is de voorzanger, de vrouw of man die de zang leidt. Deze functie wordt in de reformatie bekleed door de organist (cantor/organist), in de rooms-katholieke kerken functioneert het koor als cantor. In sommige vieringen is er een cantor of een kleine cantorgroep die de volkszang leidt en enkele fragmenten zingt.
De lector is de lezer, degene die de eerste lezing en soms ook de psalm voorleest.
De voorbidder is degene die de beden en intenties in de voorbede uitspreekt.

21. Zegen en zending
Wat voor viering we ook houden, altijd is er een slot. Over het algemeen is dat slot kort en krachtig. We zijn gevoed met het woord en eventueel met de communie en nu moet je weg. We hebben de neiging –ook als gelovigen– bij elkaar te blijven, het is net zo gezellig; ach, waarom nu alweer weg gaan. De liturgie zendt ons de wereld in: dat is de akker, daar moet gewerkt worden aan het rijk Gods, daar ligt je missie. Soms klinkt in protestante kerken: de dienst aan de wereld begint nu!
Daartoe ontvangen we de zegen, staande en stellen we ons onder kruis van de drie-ene God (we maken een kruisteken). De priesterlijke zegen kunnen alleen priesters geven, maar ieder gelovige kan bidden om Gods zegen. (Moge God ons zegenen, Vader, Zoon en heilige Geest. Amen) En dan worden we op weg gestuurd door de voorganger: Ga nu alleen heen in vrede. En allen antwoorden: wij danken God.
Wanneer we het serieus nemen dat het werken aan de wereld nu begint, dan past er geen plechtige uittocht meer, en kun je je zelfs afvragen of een slotlied wel kan. Christus is als de weg verkondigd, de Levende heeft ons de weg gewezen: weg wezen!

22. Zingen in de liturgie, liturgische muziek
 Zingend kun je God lof brengen. Psalm 22,4 ‘U bent de Heilige, die op Israëls lofzangen troont. Zingend raak je als gemeenschap van gelovigen met elkaar verbonden; onze adem en klanken mengen zich. Zingend kun je deelnemen aan het liturgisch handelen. Zingend kun je instemmen en reageren op wat er gebeurt. Zingend kun je woorden in de mond nemen die te groot zijn wanneer je ze gewoon uitspreekt.

Wanneer je de Gezangen voor Liturgie bekijkt, begint deze meest verspreide liedbundel in onze kerkprovincie met de psalmen. De psalmen vormen ‘het zingend hart’ van Schrift, David en anderen maakten ze en zongen ze, Jezus en zijn leerlingen zongen ze en wij zingen ze tot op de dag van vandaag.
In de tweede editie van GvL volgen na de psalmen enkele psalmacclamaties. Een acclamatie is een uitroep. Het volk zingt een acclamatie na een lezing of als refrein in een langer gebed of tijdens het ontvangen van een askruisje of…
De nummers 151-164 zijn de kantieken, bijbelse zangen, o.a. het magnificat. Daarna volgen velerlei vaste gezangen: gezongen liturgische elementen: Heer, ontferm U, eer aan God, halleluia, geloofsbelijdenis, prefatie, heilig acclamaties, doxologie, onzevader, lam Gods, wegzending en zegen. Er volgen dan nog openingsverzen, een litanie, lofzangen en andere acclamaties. Al deze liturgische zangen kennen de afwisseling tussen volk, cantor (voorzanger) eventueel koor en voorganger. Al deze zangen zijn verbonden met óf een liturgische handeling, óf met het voorafgaande of volgende onderdeel van de viering. Het zijn dus geen tussendoortjes die de bijeenkomst opluisteren, maar gemist kunnen worden; nee, ze zijn noodzakelijk in de voortgang van de viering.
Vanaf nummer 401 tot 659 volgen de liederen. Daar zijn korte canons bij en langere beurtzangen, refreinliederen en doorgecomponeerde zangen: veel verschillende vormen. Een van de registers achterin helpt je te zoeken naar geschikte liederen voor het liturgisch jaar en liederen bij liturgische thema’s; bovendien staan avond- en morgenliederen aangegeven. Een ander register verwijst naar de bijbelse verwijzingen van de liederen.

Literatuur, materiaal, adressen
Gezangen voor Liturgie, Gooi & Sticht 1994
Er zijn duizenden liederen voor in de liturgie in de Nederlandse taal verspreid over honderden bundels. www.donek.nl  is een zoeksysteem dat kan helpen om tot liedkeuze te komen. Deze site heeft ook de belangrijkste links naar andere kerkmuzikale sites.
Jeroen de Wit, Wat is liturgische muziek, Liturgiecatechese, Berne 2007

 

 

 

Posted in Artikelen, Methodes | Tagged , , | Reacties staat uit voor Veelvormig vieren

Comments are closed.