gedichten en gebeden voor kinderen en andere mensen

 

Voor het slapen
Voor de mensen groot en klein,
voor het leren en de gein,
voor de zon, de wind, de regen
en voor wat ik heb gekregen,
voor het lachen en het huilen,
voor het spelen en de builen,
God, ik dank U voor de dag,
blijf ook bij mij in de nacht.

Voor het eten
(elkaar aankijken)
Zitten wij hier zomaar aan tafel
kijken wij elkaar goed aan
(handen vouwen)
(ogen dicht)
danken wij voor wat wij nu krijgen:
Zegen, God, ons middagmaal/avondmaal.

Voor het eten
Of ik trek heb of juist niet,
veel plezier heb of verdriet
of ik druk ben of heel stil
en ik eigenlijk niks wil,
of ik boos ben of tevree,
altijd ja roep of juist nee,
danken wil U, o God,
om het eten op mijn bord.

Bij verlies en dood
…en dan zal God
de rouwrand om de wereld
heel zorgvuldig weggummen.

En alles is licht
en straalt en glimt en glinstert;
zelfs de diepe kuil geeft een knipoog.

 

Ga je mee dwalen?
De kortste weg, de weg náár school,
kantoor of de fabriek.
Maar als ik klaar ben en vertrek
hoor ik een stem, muziek,
dan fiets ik door, een nieuwe buurt;
ik groet wie ik niet ken.
Ik word een wereldreiziger,
ontdek wie ik echt ben.

De lucht is blauw, de bomen groen,
de ramen staan wijd open,
maar dan plots wordt het grijs en koud,
mijn band loopt leeg, ‘k moet lopen.
De eerste druppels, bedrijvenpark,
nou park kun je vergeten.
’t Is dicht beton al wat ik zie.
ik ben niet op tijd voor ‘t eten.

Maar dan ineens herken ik weer
de straten, nu nog even
dan ben ik thuis en daar staat ma:
waar was je nou gebleven?

Pakje
Ik kom van ver weg gelopen,
want ik hoorde dat jij riep.
Een presentje meegenomen,
ingepakt en met een strik;
en dat draag ik voor me uit.

Als ik jou dan heb gevonden
om de hoek of in de wind,
in het park of op de zolder
of toch in het labyrint
krijg je dat cadeau van mij.

Laat me dan niet te lang wachten,
… misschien neem jij het aan,
pakt me uit en moet stil lachen;
ik geef een kus en zeg je naam:
in dat pakje, daar zit ik.

Waar dan wel? kerstmis
Is het hier in dit paleis?
Nee, daar wonen ze te deftig.
Hier dan in die torenflat?
Niet zo hoog, dat is te heftig.

Hier misschien in deze kerk?
Veel te stil en veel te heilig.
Of daar dan in dat glaskantoor?
Daar ben je als mens niet veilig.

Is het in dat kleine park?
Dat zou kunnen, maar te open.
Maar waar dan wel, in welk gebouw
is dat kind waar wij op hopen?

Loop maar door, daar is een schuur.
Klop dan zachtjes, ga naar binnen.
Zie het kind dat licht en lacht,
plaats waar we opnieuw beginnen.

Jij die mij aanroept (muziek: Liedboek 539)
Jij die mij aanroept
Als ik moe ben of ontdaan,
elke kant op stuiter,
breek je in en roept mijn naam,
breng je me naar buiten.

Jij die aan mij denkt
Naar een plek ga ik, geheim,
naar een hut, verlaten.
Jij alleen gaat mee op reis,
met jou kan ik praten.

Jij die mij de ogen opent
Langs het afval en de stort,
langs het vuile water.
daar toon jij hoe mooi het wordt:
schone, nieuwe aarde.

Jij die mij blij maakt
Jij geeft toekomst, keert mij om,
doet mijn ogen open,
ik drink water uit de bron
en durf weer te hopen.

Jij die mij recht doet
Komt een mens mij ooit te na,
haakt me pootje, pest me,
jij bent daar die voor me staat
jij gunt mij het beste.

Jij die mij voorgaat
Samen gaan wij terug naar huis
met goed nieuws voor allen.
Heel de straat vol feestgedruis,
wat staat ons te wachten?

Jij die mij aankijkt
Jij ziet ons en maakt ons groot,
wil graag met ons omgaan.
Gaan wij er toch onderdoor,
help je ons weer opstaan.

uit ‘Jij die me aankijkt’ werkboekje op weg naar Pasen

Posted in Artikelen, Teksten | Tagged , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor gedichten en gebeden voor kinderen en andere mensen

Comments are closed.